Donner wist van zaak-Plooy

Minister Donner van Justitie is persoonlijk betrokken geweest bij het besluit van het openbaar ministerie om geen gebruik te maken van een criminele informant bij het ophelderen van bedreigingen aan het adres van de Amsterdamse officier van justitie, Plooy. Volgens Donner is er dan ook geen sprake van een gezagscrisis bij het openbaar ministerie. Dat schrijft Donner in antwoord op vragen in de Kamer.

Het besluit van het college van procureurs-generaal om de criminele infiltrant niet in te zetten, past volgens Donner binnen de door de Tweede Kamer vastgestelde regels bij de inzet van dergelijke opsporingsmethodes. Hij zou het onjuist vinden als bij opsporingsonderzoek waarbij een lid van het openbaar ministerie betrokken is, andere maatstaven gelden dan in andere strafzaken.

Volgens Donner zou er pas sprake zijn van een gezagscrisis als het openbaar ministerie zich niet zou hebben gehouden aan de door de wetgever opgelegde maatstaven. ,,Dat strafvorderlijke regels in voorkomende gevallen beperkingen kunnen opleggen aan de bestrijding van criminaliteit, is inherent aan de rechtstaat. Dat het openbaar ministerie zich houdt aan de geldende regels, is evenzeer inherent aan de taak van het openbaar ministerie.''

Het openbaar ministerie mag alleen onder bepaalde voorwaarden deals sluiten met criminele infiltranten. Zo mag de behandelend officier als tegenprestatie voor een belastende verklaring een strafeis in het vooruitzicht stellen die maximaal een derde lager is dan gebruikelijk in dergelijke zaken. Meerdere fracties in de Tweede Kamer hebben Donner inmiddels gevraagd aan te geven of er noodzaak is om de mogelijkheden voor dergelijke deals te verruimen. Volgens Donner is ,,er vooralsnog geen reden om aan dit evenwicht te tornen.''