Boedapest, deftige dame die scheldt als viswijf

Sneeuw dwarrelt neer op Boedapest. Ze blijft liggen op de daken en vriest vast aan de kale bomen. Van bovenaf gezien geeft ze de stad een maagdelijke, onschuldige aanblik en de schijn van eenheid. De stad ligt als een deftige oude dame onder me.

De oerconservatieven van de familie, mijn kinderen, weten wat het betekent; sleepkabels en sleeën uit de garage en op zoek naar een weg die door de sneeuwschuiver annex zoutstrooier is overgeslagen. Als ik met de auto met een sliert sleeën en gillende kinderen erachter door de bossen slinger, staan de Hongaren met stijf dichtgeknoopte jassen in de berm. Ze kijken me diep afkeurend aan en schudden het hoofd, een enkeling begint woest te schelden.

De agressie die de gemotoriseerde sneeuwpret oproept is groot. Het is onduidelijk of het komt door het buitenlandse kenteken of door de ongepaste frivoliteit van de actie. Het dwangmatige, hedonistische idee `te leven!', wat de Nederlandse cabaretier de burger heeft opgedrongen tot in het somberste opkamertje in Doetinchem, is in de voormalige dubbelmonarchie ver te zoeken. De xenofobe benauwenis van de kleinburger is op iedere Boedapester straathoek te noteren.

Er is een Hongaarse ambivalentie; enerzijds een buitengewoon plezierige ouderwetse hoffelijkheid, anderszijds angstig agressieve oprispingen en scheldpartijen. En niet alleen in het park, het café en het voetbalstadion, maar ook in het parlement en de krant. De haat keert zich tegen de uitzondering – zigeuners, joden, buitenlanders, rijken en anarchisten, iedereen die zich niet expliciet kan of wil aansluiten bij de groep `echte, christelijke Hongaren'.

Het recente Hongaarse verleden kent een rits publieke uitspraken die op zijn zachtst gezegd ongelukkig is. Een zaak die aandacht trok betrof Lórant Hegedüs, voormalig vice-president van de extreem-rechtse partij MIEP en kandidaat voor het Europees Parlement, die in een lokale krant schreef: ,,Joden moeten worden buitengesloten, anders zullen ze ons buitensluiten''. Elders riep hij op ,,de Gallicische hordes te elimineren van het Hongaarse publieke leven''. Vanwege deze onbedekt antisemitische oproep werd er voorwaardelijk een celstraf van achttien maanden tegen hem geëist. Enkele maanden geleden werd deze straf door een rechtbank in Boedapest afgewezen.

Versneld door de Hegedüs-zaak, en onder druk van vooraanstaande Hongaarse intellectuelen, is op 8 december 2003 een wet op hate-speech door het Hongaarse parlement aangenomen. Voorheen was het zo dat men alleen strafbaar was als uitspraken tot `duidelijk en direct gevaar' leidden. Dat is nu geschrapt. Een ieder die zich schuldig maakt aan publiekelijk discrimineren of beledigen van een nationale, etnische, raciale of religieuze groep, kan drie jaar gevangenisstraf krijgen.

Een even goedbedoelde als bizarre maatregel, die vooral de metafoor nieuw leven zal inblazen. In de Central Europe Review zegt Andras Daranyi, directeur van het dit jaar te openen Hongaarse Holocaust Museum: ,,Er is consensus nodig in het politieke en sociale spectrum over wat aanvaardbaar is en wat niet. We moeten het eens worden over bepaalde rode lijnen. Mensen voor het gerecht slepen zal het probleem niet oplossen.''

De wet op hate-speech werd de afgelopen weken door rechts ingezet tegen het radiostation Tilós Rádio, bastion van de alternatieve scene, nadat een dronken presentator op kerstavond had geroepen dat hij zin kreeg al die christenen uit te roeien. Fidesz, de centrum-rechtse oppositiepartij, organiseerde onmiddellijk demonstraties waarin sluiting van het station werd geëist. Toen enkele extreem-rechtsen onder de meer gematigde demonstranten een Israëlische vlag verbrandden, werd het interressant.

Zouden de grote Hongaarse partijen eindelijk afstand nemen van de extremisten en consensus bereiken over wat een samenleving tolereert en wat niet? Zou Victor Orban, de leider van centrum-rechts, openlijk afstand durven nemen van extreem-rechts? Zouden de Hongaren het vijand-denken kunnen loslaten?

Orbans reactie was even geniaal als ontmoedigend: de vlagverbranding was het werk van provocateurs. Hij waarschuwde zijn achterban dat provocateurs in de toekomst vaker in actie zouden komen en riep hen op waakzaam te zijn. Met deze uitspraak van vorige week slaat hij drie vliegen in één klap: impliciet geeft hij de vijand, de socialisten, de schuld van het verbranden van de Israëlische vlag, hij vervreemdt extreem-rechts niet en hij houdt de xenofobie van zijn achterban goed op peil.

Wet op hate-speech of niet, met dit soort machiavellisten die de toon zetten zal de prachtige deftige witte dame die daar aan de Donau onder mij ligt nog wel even doorgaan met schelden – als een viswijf.