Zuid-Soedan durft weer te dromen

Een vredesakkoord tussen Zuid- en Noord-Soedan lijkt niet meer ver weg. In het zuiden wordt gedroomd over een nieuwe hoofdstad, `beter dan Londen'.

Rijzige Dinka's in rood vrouwenondergoed hakken driftig dorre struiken om. Ze banen een weg op de boomsavanne naar Ramciel, de nieuwe, nog denkbeeldige hoofdstad van Zuid-Soedan. Een sissende slang slingert weg, een neushoornvogel fladdert op. Ramciel betekent in de Dinka-taal: de plaats waar neushoorns elkaar ontmoeten.

Majak Amyon is de voorman van de voor het werk geronselde Dinka's. Bij zijn positie hoort aparte kleding: hij draagt een kleurige bloemetjesjurk. Het is in het midden van het droge seizoen en alles staat er met een temperatuur van bijna 40 graden uitgedroogd bij. In dit desolate landschap valt het moeilijk voor te stellen hoe er een hoofdstad zal verrijzen. Argwaan over de bedoelingen van de Arabische vijand is nog steeds levensgroot, maar tegelijkertijd durft men in Zuid-Soedan te hopen. Majak zwaait zijn door doornen verwonde armen de lucht om een beeld te scheppen van flatgebouwen, met brede avenues en omlijnd door weelderig groen. ,,De Nijl ligt hier slechts acht uur lopen vandaan en we gaan een pijpleiding aanleggen.''

Yok Ayom is bestuurder van het Soedanese Volksbevrijdingsleger (SPLA), de verzetsbeweging die het grootste deel van het platteland beheerst en na een vredesverdrag met het noorden Zuid-Soedan gaat leiden. Hij is nuchterder dan zijn Dinka-soortgenoten. ,,Ramciel wordt beter dan Londen of Washington'', voorspelt Ayom. Hij vertelt dat twee maanden geleden de SPLA-leiding besloot in de bush van Ramciel de hoofdstad te bouwen. Want Ramciel ligt op een kruispunt van enkele grote tribale groepen van het land, een symbolische positie. De vraag of zo'n project niet duur is voor een straatarm Zuid-Soedan, wuift hij weg: ,,Er zit olie in onze grond, we hebben goud en water, wij zijn rijk. En de internationale gemeenschap zal ons helpen.''

Zuid-Soedan ontwaakt na 21 jaar oorlog en terreur uit een nachtmerrie en begint te dromen van rijkdom. Het ruim anderhalf jaar geleden begonnen vredesproces is nog niet bezegeld, maar de sfeer in het zuiden is al omgeslagen. De bommenwerpers zijn verdwenen: de klinieken, koeienkampen en scholen zijn weer veilig. Moordende milities verbonden aan regering of SPLA in het zuiden, of Arabische strijders uit het noorden die zwarte kinderen kwamen stelen en dorpen platbranden, houden zich goeddeels gedeisd.

Zuid-Soedan is vermoedelijk het meest geïsoleerde gebied van Afrika. Sommige mannen lopen nog als lang geleden naakt, of dragen als enig kledingstuk ondergoed van een eenzame handelaar die in hun woongebied wist door te dringen. Het gebied, groter dan Spanje en Portugal samen, telt een paar kleine stedelijke centra. Zuid-Soedan is veroordeeld tot zijn rurale verleden, met als enige inbreng van moderniteit het wapentuig van de oorlog. Er zijn geen geasfalteerde wegen, geen telefoonverbindingen, geen waterleidingen, nauwelijks scholen en geen elektriciteit. De oorlog reduceerde het leven tot een minimum, met hongerrampen als in bijbelse tijden. Vier miljoen Zuid-Soedanezen werden de afgelopen 20 jaar ontheemd, twee miljoen stierven. Vele generaties hadden geen hoop meer. Misschien daarom zijn de verwachtingen nu zo hoog gespannen.

De Dinka's van Zuid-Soedan zijn niet armzalig, het zijn geen sloebers. Integendeel, hun herderscultus maakt hen trots, hun onafhankelijke karakter is opvallend. Honderden met as ingesmeerde Dinka-krijgers rennen over het centrale veld van het stadje Rumbek. Wild springen ze in de lucht, ze imiteren gevechtsposes.

Een jongen met een luipaardvel om het middel slaat op een diepe trommel en legt uit dat er verkiezingen worden gehouden voor een nieuw stamhoofd. Hij steekt zijn veer in zijn haar recht en zegt: ,,Tijdens de oorlog kozen we onze leiders zonder ceremonie, overdag konden we geen feestjes organiseren, want dan bombardeerden regeringsvliegtuigen ons. Nu zijn we vrij.''

Twee jonge zojuist uit buurland Kenia teruggekeerde vluchtelingen staan nog wat onwennig naar het democratische spektakel te kijken. ,,Ook wij zijn Dinka's, maar tijdens onze lange ballingschap verleerden we de dynamiek van onze cultuur'', vertelt een van hen. ,,Dit evenement maakt me dolgelukkig maar mij lukt het niet om er aan mee te doen.''

Met vrede in het verschiet komen er iedere dag opnieuw diepe emoties los in Zuid-Soedan. Overvloedig rollen er tranen op een feestje in een dorpje bij Rumbek. Gisteren verscheen opeens Yar Rengu (Witte Koe) bij de ingang van de kraal van haar familie die ze 20 jaar geleden had verlaten. Bij het begin van de oorlog was ze naar de noordelijke hoofdstad Khartoum gevlucht. Twee maanden geleden begon de oude vrouw aan haar terugreis, eerst met de bus, de laatste paar honderd kilometer te voet. Met een kwijnende herinnering aan haar echtgenoot en diens 13 andere vrouwen, van wie ze nooit meer iets had vernomen.

Er wordt een os geslacht voor het wonder van haar terugkeer. ,,Ik huilde toen ik haar zag'', zegt haar echtgenoot Maler Majok, ,,niemand wist dat zij nog leefde. En zij dacht dat velen van ons waren gesneuveld, of als apen leefden onder bomen.'' De feestvierders laten zich gaan in lange redevoeringen. ,,Dit is vrede'', jubelt een oude man ondersteund door vrouwen die met hun tongen een tremulerend geluid maken als een scheidsrechtersfluitje.

Het gelukt kent geen einde. ,,Mijn zoon kwam onlangs al terug uit het SPLA'', lacht Majok, ,,en ik heb nog een andere zoon bij het regeringsleger. Hoeveel zonen ik heb weet ik niet precies, maar volgens mij weet ik nu bijna van al mijn kinderen waar ze zijn. Dat deze dag ooit nog eens zou aanbreken!''

Tot de eerste zonnestralen de kraakheldere sterrenhemel doen verbleken wordt er gelachen, gezongen en gedrumd. En iedereen sluit moeder de Witte Koe barmhartig in de armen.