Willen wij een gekozen lintenknipper?

De belangrijke taken van een burgemeester kunnen straks niet zomaar worden overgenomen door een gekozen figuur, meent Bernard van Praag.

De Nederlandse burgemeester oogt niet spectaculair. De meesten van ons kennen hem als doorknipper en uitreiker van linten, als begeleider van de koningin bij een bezoek aan de gemeente en als voorzitter van de gemeenteraad. En we weten dat hij of zij benoemd wordt door de kroon. De nieuwe partij D66 heeft bij haar oprichting een groot punt gemaakt van die benoeming. Het zou ondemocratisch zijn tegenover de burgers van de gemeente om deze gezagsdrager niet door de burgers te laten benoemen. Sinds haar oprichting heeft D66 zo op dit punt gehamerd dat velen dit als het belangrijkste programmapunt van D66 zijn gaan zien. Het is dan ook niet verwonderlijk dat D66 dit punt aan de orde stelde als noodzakelijk voor regeringsdeelname en dat zij haar zin heeft gekregen. In 2006 zou het gekozen burgemeesterschap gerealiseerd moeten worden. Maar moeten wij ons niet de vraag stellen of het in 2004 nog wel verstandig is om vast te houden aan deze D66-fetisj?

De vraag is namelijk wat de voornaamste functies van de burgemeester zijn en of het wenselijk is die over te dragen op een figuur die voor vier jaar wordt gekozen. De belangrijkste functies zijn de vertegenwoordiging van de gemeente, de leiding bij rampen, en de verantwoordelijkheid voor de openbare orde en de politie. Daarnaast toetst de burgemeester de besluiten van de gemeenteraad aan de wet en provinciale verordeningen. Volgens art. 273 van de Gemeentewet dient de burgemeester bij elk raadsbesluit te beoordelen of ,,het voor vernietiging in aanmerking komt'', en in dat geval ,,zijn oordeel binnen twee dagen door tussenkomst van Gedeputeerde Staten hiervan mededeling te doen aan Onze Minister''. Hoewel de burgemeester zich zelden van deze onaangename taak behoeft te kwijten, zijn de meeste raadsleden zich heel goed bewust van deze waakhondfunctie en werkt deze reuze preventief.

Want laten we wel wezen, de raadsleden en veelal ook de wethouders mogen als amateurs worden gekwalificeerd, die zich, door welgevallig optreden, op het kussen hebben gemanoeuvreerd. De enige professional in de meeste Nederlandse gemeenteraden is de burgemeester. Hij of zij heeft er in het algemeen voor geleerd. Zijn carrière begon veelal als wethouder, hij werd benoemd in een kleine gemeente en bij succes wordt hij of zij bevorderd naar een grotere gemeente.

Ik vraag me af of deze belangrijke taken ook door een gekozen burgemeester zouden kunnen worden uitgeoefend. Hoe kan een gekozen burgemeester raadsbesluiten bij de kroon voor vernietiging voordragen? De burgemeester wordt natuurlijk door deze dubbele loyaliteit in een onmogelijk parket gebracht. Of laten we ons eens voorstellen dat Amsterdam over enige jaren een burgemeester zou kiezen met een Arabische achtergrond en dat de dan zetelende gemeenteraad de eis aan alle gemeenteambtenaren zou stellen van tweetaligheid, namelijk Nederlands en Arabisch of Turks. Het precedent in de stad Brussel geeft aan dat zoiets kan en niet onredelijk is. Maar hoe zou zo'n burgemeester de openbare orde hebben verdedigd bij de pro-Palestijnse demonstratie in 2002 of bij de herdenking van 4 mei?

De tijden zijn veranderd sinds 1966. In het huidig tijdsgewricht waarin het bestuur van bijna elke gemeente al zo moeilijk is en de uitkomsten vaak kwalitatief onder de maat zijn en onbestendig, lijkt het zeer onverstandig de betekenis van de gemeenteraad verder uit te hollen. Het gevaar is reëel dat de gemeenteraad een praat- en hobbyclub wordt die door de hogere autoriteiten niet serieus kan en mag worden genomen.

Bovendien zal de voorgestane directe verkiezing ertoe leiden dat er een heel nieuw reservoir van burgemeesters zal moeten worden aangesproken, terwijl een groot deel van de zittende carrière-burgemeesters niet willen of kan functioneren in deze nieuwe structuur.

Betekent dat dan dat ik tegen elke vorm van democratie ben in deze kwestie? Allereerst moet worden opgemerkt dat de huidige wijze waarop de burgemeestersbenoeming in zijn werk gaat, en waarbij een vertrouwenscommissie uit de raad een belangrijke rol speelt, toch mijlenver verschilt van de wijze waarop burgemeesters in 1966 werden benoemd. Maar als het dan toch moet, dan zal men de huidige burgemeesterstaken kritisch moeten bezien en moeten komen tot een nieuwe pakketsamenstelling, waarbij de zorg voor de openbare orde en de `waakhondfunctie' worden overgedragen aan een functionaris die niet elke vier jaar van de volksgunst afhankelijk is. Dit zou de gemeentesecretaris kunnen zijn of een nieuw te scheppen positie van `intendant'.

Er is natuurlijk geen enkel bezwaar dat de `ceremoniële' functies bij de burgemeester blijven. Een dergelijke verdeling geldt ook voor de Lord Mayor van Londen of voor de burgemeesters van Franse steden die vaak ook parlementslid zijn, minister of plaatselijke kroegbaas. In ieder geval, de ,,lange tanden'' waarmee het CDA en de VVD zich zetten aan het verorberen van dit opgedrongen gerecht, kan ik mij levendig voorstellen.

Prof.dr. B.M.S. van Praag is universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam.