Verenigingsmanager is duur maar vaak nuttig

Sportbestuurders discussieerden onlangs uitgebreid over het nut van een verenigingsmanager. Clubs vrezen hoge kosten.

De Utrechtse omnisportvereniging Kampong is met zo'n 4.000 leden de grootste van Nederland. Problemen, waarvan gebrek aan kader en vrijwilligers de belangrijkste zijn, worden bij Kampong sinds twee jaar het hoofd geboden door een (betaalde) verenigingsmanager. In Utrecht werkt dat. Maar of dat ook geldt voor alle 29.000 sportverenigingen in Nederland is zeer de vraag. Vooral grote clubs hebben er het financiële draagvlak voor, want een verenigingsmanager kost al gauw 45.000 euro per jaar.

Tijdens het eerste congres voor sportbestuurder werd zaterdag uitgebreid gesproken over de wenselijkheid een verenigingsmanager aan te stellen. Er werd verschillend over gedacht, ook al omdat een proef van vijf jaar bij vijftien verenigingen onder leiding van sportkoepel NOC*NSF wisselende ervaringen oplevert.

De taken van een verenigingsmanager zijn ook moeilijk onder één noemer te vatten en hangen sterk af van de behoefte bij de vereniging. Voetbalclub SV Almere heeft gekozen voor iemand die sponsors binnenbrengt. Maar bij Kampong is gekozen voor een verenigingsmanager die zich onder andere bezighoudt met financiën, coördinatie van vrijwilligers, maar ook met de buitenschoolse opvang waarmee de club enige jaren geleden is begonnen.

Gwendolijn Boonekamp, senior projectleider breedtesport bij sportkoepel NOC*NSF en verantwoordelijk voor de pilot van vijftien verenigingsmanagers, voorspelt dat in 2008 circa 500 verenigingsmanagers in Nederland actief zullen zijn. Zij: ,,Een beroepskracht kan een vereniging moderniseren zonder de plaats van vrijwilligers in te nemen. Ik zie het als een goed model voor verenigingsbesturen die ambitieus zijn en `ondernemend' willen denken.''

Voor Berend Rubingh, directeur van een bureau voor sportmanagement in Groningen, is het nog maar de vraag of een verenigingsmanager nuttig werk kan verrichten. ,,Het is net als met het fileprobleem: openstelling van vluchtstroken en het plaatsen van poortjes zijn te eenvoudige oplossingen. Je kunt je ook afvragen of de mensen nog wel zo veel moeten reizen. Ik vind dat bestuurders van sportverenigingen moeten kiezen of ze een club willen die zakelijk door een manager wordt gerund of door vrijwilligers, die een sterke band de vereniging hebben. In de provincie kom je nog clubs tegen waar je niet met een verenigingsmanager moet aankomen; daar is nog sprake van solidariteit. In de grote steden zie je veel meer fitnessachtige organisaties waar verenigingen een dienst leveren.''

Uit de proef van vijftien (grote) verenigingen van NOC*NSF blijkt dat het succes van de verenigingsmanager vooral plaats- en persoonsgebonden is. Hoewel het project doorloopt tot in 2005 zijn er inmiddels drie managers gestopt; de overige twaalf functioneren volgens Boonekamp naar volle tevredenheid. Dat is bijvoorbeeld het geval bij Kampong, waar Karin Horsting na een tweetal jaren haar draai als verenigingsmanager heeft gevonden. ,,Hoewel dat wel even heeft geduurd. Je moet duidelijk maken dat je er niet bent om notulen te maken. Na drie maanden dacht ik: waar ben ik in hemelsnaam aan begonnen, maar nu de taakverdeling duidelijk is en ik me met de hoofdlijnen kan bezighouden gaat het goed.''

Boonekamp vindt het teleurstellend dat de proef niet tot een sneeuwbaleffect heeft geleid. ,,Het gaat langzamer dan we gehoopt hadden'', erkent ze. ,,Dat is vooral een financiële kwestie, maar ook omdat veel bestuurders zich daarop blindstaren. Vanwege de kosten is er angst om aan een verenigingsmanager te beginnen. Maar het begint met lef en visie en een bestuur dat weet waar het naar toe wil. De praktijk leert dat er werk voor een manager is. Buiten ons project is bij een dertigtal verenigingen een beroepskracht in dienst. Daarnaast blijken velen het werk van een verenigingsmanager te verrichten, maar zich niet zo te noemen. Bijvoorbeeld vutters, die zonder arbeidscontract werken.''

Die laatste constructie is voor Rubingh het bewijs dat professionalisering niet het synoniem voor betaald werk is. ,,Ik zeg niet dat verenigingen zonder deskundigheid kunnen, maar professionaliteit betekent dat antwoord wordt gegeven op de vragen: waar staat de vereniging voor en wat zijn de hoofdtaken? Ik zeg: maak een duidelijke keus voor een sociale of een zakelijke aanpak. En durf te accepteren dat eventueel de helft van je ledenbestand wegvalt. Maar voorkom dat de vereniging een ondoorzichtige organisatie blijft.''