Strijden tegen imago van zakkenvuller

Weer is er geen akkoord over een uniforme salarisregeling voor europarlementariërs. De grote salarisverschillen blijven nog bestaan.

Na 25 jaar discussie leek vorige maand eindelijk een akkoord over de salarissen van europarlementariërs binnen handbereik. Maar zoals gebruikelijk werd gisteren op het laatste ogenblik een spaak in het wiel gestoken. Het gevolg is dat bij de campagne voor de Europese verkiezingen in juni, net als bij zulke campagnes in het verleden, de verdiensten van europarlementariërs weer een belangrijk thema kunnen worden. Dat is precies wat zowel Europese regeringen als europarlementariërs iedere keer tevergeefs proberen te voorkomen.

Alle problemen zijn begonnen met het feit dat de inkomens van europarlementariërs uiteenlopen van bijna 11.000 euro voor een Italiaan tot ruim 2600 euro voor een Spanjaard. Na de uitbreiding van de EU met tien nieuwe lidstaten met ingang van 1 mei worden die verschillen nog groter: een Hongaarse europarlementariër gaat waarschijnlijk slechts 761 euro per maand verdienen.

Jarenlang heeft het Europees Parlement deze kwestie opgelost met een systeem dat volgens critici niet anders dan frauduleus was. Europarlementariërs vulden hun inkomen aan door het declareren van niet gemaakte onkosten. Ze kregen een vliegreis vergoed tegen het hoogste tarief maar reisden in werkelijkheid tegen het laagste. Sommigen incasseerden een aanwezigheidspremie in het parlement, hoewel ze na het tekenen van de presentielijst dadelijk naar huis vertrokken waren.

In de jaren negentig werd deze praktijk onhoudbaar. Europarlementariërs werden steeds meer als frauduleuze zakkenvullers afgeschilderd. Daardoor werd de druk verhoogd om tot één financiële regeling voor alle europarlementariërs te komen. Op aandringen van het Europarlement legden de Europese regeringsleiders in 1997 in het Verdrag van Amsterdam vast dat de salaris- en onkostenregeling voor europarlementariërs in een statuut moest worden vastgelegd. Het Europarlement zou een voorstel moeten doen en daarna zouden de regeringen moeten beslissen.

Dat bleek gemakkelijker gezegd dan gedaan. De regeringen stonden onder druk van nationale parlementariërs, die er niet voor voelden dat hun Europese collega's hogere salarissen zouden krijgen dan zijzelf. Als oplossing voor dit probleem werd bedacht om ieder land de vrijheid te geven zoveel belasting op het inkomen van europarlementariërs te heffen als het zelf wilde. Zo zou ieder land zelf moeten kunnen bepalen wat het netto inkomen zou worden.

In 1999 liep de zaak op het laatste ogenblik vast in het Europees Parlement. Een meerderheid wees het voorgestelde uniforme salaris af. Dat salaris zou het gemiddelde van alle uiteenlopende salarissen zijn. Het betekende dat veel europarlementariërs er financieel op achteruit zouden gaan, omdat tevens de mogelijkheden om aan onkostenvergoedingen te verdienen zouden verdwijnen.

Het zakkenvullers imago dreigde daarna rampzalig te worden bij de Europese verkiezingscampagne in 1999. Om dat te voorkomen besloten Nederlandse europarlementariërs vrijwillig tot een gedragscode die alleen vergoeding van werkelijk gemaakte onkosten toestaat.

Het gisteren bij de ministers van Buitenlandse Zaken gesneuvelde voorstel voorzag in een verhoging van de meeste salarissen. Alleen Italianen en Oostenrijkers zouden erop achteruitgaan. De europarlementariërs uit de nieuwe lidstaten zouden nog tien jaar buiten de regeling hebben kunnen blijven. Hoe het nu verder moet weet niemand. Dat er een probleem is met een Europarlement waar de salarissen uiteenlopen van 761 euro tot 10.974 euro per maand weet iedereen. Niemand denkt dat er opnieuw met onkostenvergoedingen gerommeld kan worden.

Gerectificeerd

Europarlementariërs

De tabel bij het artikel Strijden tegen het imago van zakkenvuller (27 januari, pagina 4) vermeldt niet de bruto maandsalarissen van europarlementariërs in duizenden euro, zoals aangegeven, maar in euro.