Poëzie als maatwerk

Het jonge poëzietijdschrift Awater heeft zich in drie jaar tijd een vooraanstaande plaats verworven. In het januari-nummer neemt een van de initiatiefnemers afscheid, Gerrit Komrij. Ook zijn aanstelling sinds 2000 als Dichter des Vaderlands eindigt dit jaar. Deze week verschijnt een herziene editie van de bloemlezing De Nederlandse poëzie. Redenen genoeg om `Het grote Gerrit Komrij themanummer' uit te brengen. Dat is veel eer. Een interview door Onno Blom, essays van Ilja Leonard Pfeijffer, Rob Schouten en nieuwe gedichten over het instituut dichterschap des vaderlands. Van begin af aan oogstte Komrij kritiek met zijn aanstelling. In het interview doet Komrij enkele vinnige uitspraken. Het begon al meteen. Niet Komrij, maar Rutger Kopland verwierf de meeste stemmen: ,,Ik bén niet eens verkozen (-). Ik was in de verkiezingsstrijd geëindigd als goede tweede. Tatjana Daan, de toenmalige directeur van Poetry International, belde me in paniek op dat degene die verkozen was, Rutger Kopland, geweigerd had. Daar had ze niet op gerekend, want in de maanden voorafgaand aan de uitslag had Rutger Kopland bijna dagelijks naar Poetry gebeld om te horen hoe hij ervoor stond.''

Interessant is Komrij's visie op de artistieke kwaliteit van gelegenheidswerk. Iedere lezer die op de voorpagina van deze krant een gedicht van de Dichter des Vaderlands ziet staan, weet dat het ter gelegenheid van een nationale gebeurtenis is geschreven: ,,Er heerst veel hypocrisie over maakwerk. (-) Gedichten schrijven bij gebeurtenissen, reageren op de maatschappelijke omgeving, dat is allemaal zo oud als de poëzie zelf. Ik weet niet waar de grens van maakwerk ophoudt of begint.'' De gedichten die Komrij schreef naar aanleiding van gebeurtenissen als de vuurwerkramp in Enschede of het huwelijk van de kroonprins, zijn niet braaf, zoals zijn critici verwachtten. Komrij heeft het koningshuis eerder met scherpe distantie bekeken dan het blindelings omhelsd.

Pfeijffer gaat in op de invloeden die Komrij onderging. Voor hem bestaat geen onderscheid tussen lezen en schrijven; daardoor is de versregel `Er huist een loden vreemdeling in mij' een openlijke verwijzing naar Luceberts befaamde vers `er is een grote norse neger in mij neergedaald'. Intertekstualiteit geldt voor Komrij eerder als voorwaarde voor dichterschap dan als teken van zwakte. De variatie aan bijdragen in Awater is groot. Schouten diept op amusante wijze het eerste gedicht van Komrij op, een `Vakantiegroet in de trant van Vondel' van juni 1960. Bij deze eersteling valt de vormvastheid op. Het bijzondere van deze Awater is dat we niet alleen over Komrij, maar over poëzie als maakwerk en als geheimzinnig genre veel te weten komen. In beide gevallen moeten structuur en vorm overheersen. Komrij's verzet tegen de `rafeligheid van het vrije vers' is hij tot en met de selectie van zijn Nederlandse poëzie trouw gebleven, dat is sinds 1960 ruim veertig jaar lang.

Awater, nr 1/2004. Poëzietijdschrift. Prijs €5,75.