Pensioenfondsen

Het pensioenfonds ABP heeft bekendgemaakt dat zijn fonds weer rijker is geworden (net als vele andere pensioenfondsen) en dat de dekkingsgraad is gestegen van 99 procent in 2003 naar thans 109 procent (NRC Handelsblad, 16 januari). Voorwaar een prima prestatie, zou de leek denken die dit leest (als die dat al begrijpt). Die verbetering zou zijn oorzaak vinden in de verbeterde beurskoersen waardoor de (papieren) bezittingen van dat fonds in waarde zijn gestegen, om dezelfde redenen waarom die waarde in de afgelopen twee jaar sterk is verminderd. De deskundigheid van het bestuur en haar adviseurs blijkt hier dus geen rol te spelen, slechts de beursontwikkeling is bepalend. Dit geldt voor vrijwel alle pensioenfondsen.

Nog interessanter is het om te weten, en wat nergens in de publicaties is vermeld, hoe deze verbetering bij het ABP feitelijk tot stand is gekomen. Door de stijgende beurskoersen of door het feit dat het pensioenfonds de indexatie schrapt van ingegane pensioenen (en dus ook slapersrechten) en voor de toekomst de pensioenregeling met ingang van 1 januari 2004 heeft verslechterd, waardoor minder toekomstige verplichtingen ontstaan. Zo kan een bestuur van amateurs het toch doen blijken of zij de zaak terdege onder controle hebben.

Maar wat te denken van de bestuurders van die pensioenfondsen die wel positieve ontwikkelingen hebben doorgemaakt in de afgelopen twee jaar en die nog steeds over ruime middelen beschikken? Die bijtijds winst hebben genomen en de juiste inschatting van de beursontwikkeling maakten? Daar zitten kennelijk de juiste mensen in het bestuur en hebben die de juiste adviseurs aangetrokken om hun beleid te ondersteunen. Dus?

Het is uiterst dubieus dat vrijwel alle pensioenfondsbestuurders zijn blijven zitten op hun pluchen stoelen, hun eigen verantwoordelijkheid hebben afgewezen en de beurs de schuld geven.