Parlementair onderzoek

Het kinderwetje van Van Houten kwam in 1874 tot stand nadat J.J. Cremer in zijn aandoenlijke voordracht Fabriekskinderen uit 1863 (en in persoonlijke contacten met de liberale voorman Thorbecke) de misstanden rond kinderarbeid aan de kaak had gesteld. De letteren leidden sindsdien in Nederland nooit meer zo direct tot wetgeving. Wel functioneert sedert 1850 de Enquêtewet, sinds 1977 genaamd Wet op de parlementaire enquête. Dit is meteen het oudste en zwaarste controle-instrument van het Nederlands parlement. De laatste grote enquête van de negentiende eeuw, de Arbeidsenquête naar de toestand in fabrieken en werkplaatsen (1886-1887), leidde nog mede tot de Arbeidswet van 1890. Daarna raakte de enquête in onbruik.

Sedert de RSV-enquête (1983-1984), naar de staatssteun aan een verlieslijdend scheepsbouwbedrijf, heeft de Tweede Kamer haar scherpste instrument opnieuw ontdekt. Getuige het toenemende aantal enquêtes en lichtere onderzoeken sindsdien, heeft het onderzoeken van de meest uiteenlopende onderwerpen niet bepaald aan populariteit ingeboet. Geen onderwerp lijkt aan de aandacht van de Kamer te ontsnappen: van bouwsubsidies, visquota, paspoorten, de sociale zekerheid, het neerstorten van een Boeing op de Bijlmer en Srebrenica, tot en met, vorige week, het integratiebeleid.

Het veelvuldige gebruik door het parlement van de enquête of de lichtere onderzoeksbevoegdheid, is een signaal van toegenomen emancipatie van de volksvertegenwoordiging. Tegelijkertijd heeft het veelvuldige gebruik van dit instrument en de wijze waarop dit is gebeurd inmiddels aanleiding gegeven tot vragen over de enquête zelf. Mede door de overweldigende aandacht van media en de gerichtheid van politici en journalisten op de mogelijke fouten van bewindspersonen, heeft de enquête een overdreven politiek gewicht gekregen. Het idee dat `koppen moeten rollen' zorgt bijna altijd voor een oneigenlijke politieke spanning rond enquêtes.

En er kleven nog andere gebreken aan het instrument. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de grote consequenties die de publieke getuigenverhoren kunnen hebben voor getuigen, voor derden die soms ten onrechte worden beschuldigd maar geen weerwoord hebben of voor externe deskundigen die niet beschikken over parlementaire immuniteit. Ook kan een onbedoeld neveneffect zijn dat ambtenaren hun risicomijdende gedrag overdrijven.

Zowel de minister van Bestuurlijke Vernieuwing, De Graaf (D66), als de Tweede Kamer in de persoon van voorzitter Weisglas (VVD) wil nu op korte termijn een wijziging of zelfs (De Graaf) een integrale herziening van de Wet op de parlementaire enquête. Het is verstandig om eerst een staatscommissie voorstellen te laten doen over de mogelijke reikwijdte van de nieuwe wet, zoals de minister heeft voorgesteld. Dit kan ook gebeuren in ,,nauwe samenwerking'', zoals De Graaf wil. Van nog groter belang echter is dat zowel de Tweede Kamer als de minister de eigen verantwoordelijkheid in het oog houdt. Het gaat tenslotte om een recht van het parlement.