Groene Hart gebaat bij inventiviteit

Voor de toekomst van het Groene Hart is het van belang dat het opnieuw de aanduiding van Nationaal Landschap krijgt, omdat dan de bereidheid om erin te investeren wordt vastgelegd, meent Lenie Dwarshuis.

Het uitlekken van het eerste concept van de Nota Ruimte van minister Dekker (VROM) heeft het debat over de bescherming van het Groene Hart weer doen oplaaien. De nota zou de weg vrijmaken voor massale bebouwing in dit gebied. De milieubeweging, commentatoren en wetenschappers uit verschillende disciplines berijden voorspelbare stokpaardjes en creëren een schijntegenstelling. Wie volhoudt dat de toekomst van het Groene Hart een keuze inhoudt tussen een ,,versteend Groene Hart'' of een ,,idyllisch groen oud-Hollands paradijs'', miskent de feitelijke situatie.

Het Groene Hart maakt onderdeel uit van de Randstad en is daar een zeldzame en kostbare oase van rust en ruimte. Het is echter een misvatting te denken dat deze kwaliteiten uitsluitend door het trekken van rode contouren behouden kunnen blijven. Daarvoor is het gebied te zeer onderhevig aan internationale trends en lokale ontwikkelingen, zoals vergrijzing, klimatologische veranderingen en problematische bedrijfsopvolging bij boerenbedrijven. Het Bestuurlijk Platform Groene Hart, met haar veelheid aan belanghebbende partijen, weet wat in het Groene Hart speelt en wat er moet gebeuren. Dat is veel.

Het gaat hier om kwesties die ook in andere grootstedelijke netwerken spelen en die daarom een internationale dimensie hebben. Het platform is van mening – en heeft dit het kabinet laten weten – dat de drie provincies (Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht) het voortouw dienen te krijgen bij de uitvoering van het ruimtelijk beleid en dat zij daarvoor voldoende beleidsruimte en financiële mogelijkheden van het rijk moeten krijgen.

Voor de toekomst van het Groene Hart is het allereerst nodig dat het opnieuw de aanduiding van Nationaal Landschap krijgt in de Nota Ruimte. De bereidheid om te investeren in geld en wettelijk instrumentarium voor het versterken van het karakter wordt daarmee vastgelegd. De begrenzing van het Groene Hart hoeft niet veel te veranderen; het platform bepleit verder het systeem van de zogeheten `kwaliteitszonering' waarin verschillende soorten gebieden in het Groene Hart worden onderscheiden. De veenweidegebieden met hun karakteristieke verkaveling en koeien in de wei verschillen immers aanzienlijk van bijvoorbeeld een gebied als de Oude Rijnzone, waar een kwaliteitsverbetering gerealiseerd kan worden door het herstructuren van verouderde bedrijfsterreinen en door het investeren in de ontwikkeling van de gebieden rond de stations van de aan te leggen RijnGouweLijn. Hét Groene Hart bestaat feitelijk allang niet meer en het is beter het beleid aan dit gegeven aan te passen, maar dan moeten wel keuzes gemaakt worden.

Ten tweede moet het bouwbeleid een combinatie worden van ontwikkelingsbeleid en restrictief beleid. Het beperkt bouwen op de ene plek moet gekoppeld worden aan kwaliteitsverbeteringen elders in het Groene Hart. Het Groene Hart is nu eenmaal een landelijk gebied dat onder stedelijke druk staat. De behoefte aan nieuwe, hoogwaardige woon- en werkmilieus in de Randstad is onmiskenbaar, evenals de wens naar een goede kwaliteit van de leefomgeving. De circa 6 miljoen mensen die in de Randstad wonen, willen kunnen genieten van het unieke landschap. Daarvoor moeten wel de toegankelijkheid en de recreatieve mogelijkheden worden vergroot. Het grootstedelijke netwerk van de Randstad is daarin niet uniek in Europa; ook andere metropolen worstelen met de ingewikkelde opgave van het behoud van open ruimten en landschappen. De bewindslieden van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening alsmede van Lanbouw en Natuur moeten zich in Europa dan ook sterk maken voor een aparte aanpak voor landelijke gebieden die onder stedelijke druk staan. Ook moeten zij optrekken met partners uit vergelijkbare regio's, zoals het Ruhrgebied.

Een derde punt is dat het Groene Hart niet een afgeleide van de Randstad is, maar een eigen economische dynamiek kent die meer dan alleen agrarisch van aard is. Het gebied kent een gevarieerde productiestructuur met industrie, bouw- en groothandel, zakelijke diensten en agrarische bedrijven. De economische groei lag de afgelopen jaren boven het Nederlands gemiddelde. Toch is het niet allemaal koek en ei. Het wegtrekken van jongeren en agrariërs en de sluiting van bijvoorbeeld buurtsupermarkten leidt, in combinatie met de vergrijzing, tot een onevenwichtige bevolkingssamenstelling en ontoereikende voorzieningen. Ook daar moet een antwoord op komen.

Een vierde punt is dat de toekomst van de landbouw in het veenweidegebied onzeker is. Onder invloed van de mondialisering en de toekomstige uitbreiding van de Europese Unie zullen de melkprijzen onder druk komen te staan. Om het bijzondere veenweidelandschap geschikt te laten zijn voor landbouw, moeten de veengronden ontwaterd worden, waardoor deze inklinken en op den duur zullen verdwijnen. De kosten om het waterpeil op een voor boeren rendabel niveau te houden, zijn aanzienlijk en zullen de komende tijd verder stijgen. De marginale rendementen en het probleem van de bedrijfsopvolging maken dat de landbouwsector op langere termijn niet de continuïteit van de bescherming van natuur- en landschapswaarden kan waarborgen. Eventueel behoud en duurzaam beheer van het veenweidegebied vereisen grote investeringen. De benodigde financiën kunnen gerealiseerd worden door het veenweidegebied te laten vallen onder de Europese ,,regeling voor gebieden met een natuurlijke handicap''.

Ten slotte moeten de kansen van water worden benut. De klimatologische veranderingen – nattere winters en drogere zomers – dwingen om ruimte te reserveren voor water, zowel voor het aanwijzen van overloopgebieden als voor de aanleg van waterreservoirs. De uitvoering van het Nationaal Bestuursakkoord Water staat de komende jaren prominent op de agenda van provincies, waterschappen en gemeenten. Zij zullen de kansen van water, functiecombinaties en realisatie van de zogeheten `natte natuur' bepalen.

De provincies staan te popelen om de uitvoering van de benoemde opgaven in het Groene Hart ter hand te nemen, samen met het bestuurlijk platform en met steun van het rijk. Naast het vastleggen van een aantal Groene Hart-principes in de rijksnota's en in het Europees beleid vraagt het platform het kabinet om beleidsruimte ter beschikking te stellen aan de provincies. Anders kunnen de provincies het benodigde maatwerk niet leveren. Er moeten – zoveel zal duidelijk zijn – heldere keuzes gemaakt worden voor een op resultaat gerichte aanpak.

Lenie Dwarshuis is voorzitter van het Bestuurlijk Platform Groene Hart en gedeputeerde in Zuid-Holland. In het platform zitten vertegenwoordigers van rijk, provincies en gemeenten aan tafel met vertegenwoordigers van de waterschappen en maatschappelijke organisaties zoals ANWB, Kamers van Koophandel, Natuurmonumenten en land-en tuinbouworganisaties.