Filmpubliek houdt van huilend kameeltje

De eerste dagen van het Internationaal Filmfestival in Rotterdam zie je de bezoekers nog tamelijk radeloos zoeken naar hoe te kiezen. Kiezen we voor bekende namen? De nieuwe Takeshi Kitano? Een film met Bill Murray? Een film over Johan Cruijff? Of moet je juist die nieuwe Koreaan ontdekken? Of tien films van 1 minuut (die zijn om voor je je kunt vervelen)?

Maar als het festival al aardig op streek raakt, na een dag of vier, vijf, beginnen de titels rond te zoemen. Aaltra, The Missing, Four Shades of Brown, Elephant hoor je vaak noemen. Maar boven alle gezoem uit klinkt The Story of the Weeping Camel. Zo kan het gebeuren dat je een ervaren regisseur hoort vragen: ,,Dat huilende kameeltje, is dat wat?'' En dat een distributeur van verantwoorde arthouse-films dan streng zegt: ,,It's nice. Nice, nothing more.''

Dat The Story of the Weeping Camel inmiddels op nummer 2 staat van de publieksenquête, heeft alles te maken met de wonderlijke manier van tellen die het festival hanteert. Een film die van honderd mensen hoge cijfers krijgt (na één voorstelling) kan hoger eindigen dan een film die door duizend mensen hooggewaardeerd is. Dus staat nu La meglio gioventú op nummer 1, en dat is misschien wel terecht, maar het is geen correcte afspiegeling van de publieke waardering.

In de zaal bij The Story of the Weeping Camel is het een en al ge-oh en ge-ah. In een tentenkamp van Mongoolse nomaden in de Gobi-woestijn wordt een wit kameeltje geboren. Het is een moeilijke bevalling, de moeder loopt minutenlang rond terwijl twee bevliesde pootjes en een kopje al uit haar vagina steken. En waarschijnlijk doordat het zo'n moeilijke bevalling is, verstoot de moeder het kalfje. Als hij op haar toekomt, rent ze weg. Als hij naar haar tepel reikt, geeft ze hem een knietje. OOOOH, zegt de zaal. Het kleintje jammert hartverscheurend eenzaam in een woestijnpan.

Maar het kalfje is toch niet de huilende kameel uit de titel. De familie huurt een violist die voor moeder en kalf speelt. En dan zien we echte tranen opwellen uit de barnstenen ogen van de moeder. AAAAAH, zegt de zaal. En het kleintje mag nu rustig bij haar drinken.

Groot applaus voor de makers, de Mongoolse Byambasuren Davaa en de Italiaan Luigi Falorni. En gezien hun hoge positie in de publiekspoll, deed hun openlijke bekentenis dat ze hebben ingegrepen in de werkelijkheid, niets af van de waardering. Aan het verhaal rond geboorte, verstoting en verzoening is niets toegevoegd, zo verzekerden ze de zaal na afloop van de vertoning.

Maar het bijverhaal van de twee broertjes die in de stad op zoek gaan naar een violist, dat is wel verfraaid. Het kleinste jongetje kijkt onderweg steeds verzaligd naar tv en vraagt bij terugkeer: ,,Pappa, koop jij ook een televisie?'' Waarop de opa bars zegt: ,,Wat moet je nou turen naar die glazen poppetjes?'' Dat blijkt dus in een script te zijn bedacht. De Mongoolse familie had allang televisie en had alleen tijdens de filmopnamen de satellietschotel van de tent geschroefd. OOOOH.