Europese beloning

Snijden in eigen vlees is niet de aangenaamste handeling, zeker niet voor politici die hun eigen beloningsvoorwaarden voorstellen. Het Europees Parlement, de verzameling van 626 leden uit vijftien landen (na de toetreding van de nieuwe lidstaten 732 leden), was eindelijk zo ver gekomen. Na een kwart eeuw van palaveren had het Europarlement een oplossing bedacht om zijn stelsel van beloningen te hervormen. Niet langer zouden de europarlementariërs een vergoeding ontvangen gelijk aan die van de parlementariërs in hun eigen land, aangevuld met een tot oneigenlijk gebruik aansporend systeem van onkostenvergoedingen. Alle parlementsleden zouden voortaan een gelijk bedrag krijgen en een beperking moeten accepteren van de vergoedingen. Hiermee zou een einde komen aan de aanzienlijke inkomensverschillen van de europarlementariërs en zouden ze verplicht worden om bonnetjes te overleggen, zodat ze alleen nog hun werkelijk gemaakte onkosten zouden kunnen declareren.

Het oude systeem stamde uit de tijd dat het voor nationale politici als een opoffering werd beschouwd om zich verkiesbaar te stellen voor het Europees Parlement. In de loop der jaren versterkte dit het beeld van het Europarlement als een instelling waarvan het gebrek aan politieke invloed gecompenseerd wordt door genereuze regelingen voor presentiegeld, lage belastingtarieven en hoge beloningen. Het was, in de woorden van de Nederlandse europarlementariër Michiel van Hulten, een systeem van `morele corruptie'.

De Europese raad van ministers van Buitenlandse Zaken, die de vergoedingen voor de europarlementariërs formeel moeten goedkeuren, heeft een streep gehaald door de voorgestelde stroomlijning van de beloningen. Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk en Zweden blokkeerden gisteren de aanpassing, zodat er tot de komende verkiezing van het Europarlement in juni niets zal veranderen. Hierdoor blijft een kostbaar stelsel vooralsnog in stand – en daarmee ook de prikkel om de grote inkomensverschillen tussen de parlementariërs met onkostendeclaraties te compenseren.

De bezwaren van de vier landen die de hervorming hebben tegengehouden zijn niet helemaal zonder grond. Voor nationale overheden die volop bezig zijn met bezuinigen, is het lastig om uit te leggen dat europarlementariërs er financieel op vooruitgaan, zoals in sommige gevallen gebeurt. In het geval van een enkele nieuwe lidstaat zou een europarlementariër het dertigvoudige gaan verdienen van een nationale volksvertegenwoordiger.

Maar de stroomlijning van de beloning had een goede grond, en zou een eind maken aan de bonnetjesloze declaraties. Daardoor zouden de Duitse europarlementariërs er bijvoorbeeld netto op achteruitgaan.

Bovendien: de Europese Unie bestaat uit landen met ongelijke welvaartsniveaus en deze verschillen worden na de uitbreiding alleen maar groter. Parlementariërs behoren fatsoenlijk beloond te worden, ook als ze uit arme lidstaten komen, en de kosten van levensonderhoud in Brussel en Straatsburg zijn aanzienlijk en grosso modo voor alle europarlementariërs gelijk. Een uniforme regeling verdient dan ook de voorkeur boven het oude stelsel. Maar de voorgestelde, en nu verworpen regeling is nog steeds royaal. Het is zuur voor de europarlementariërs dat de ministers hun beloningsstelsel hebben afgewezen. Maar ze zullen nu een nieuw voorstel moeten doen en dat kan best bescheidener zijn. Want een alternatief voor de oude, onevenwichtige beloningen blijft dringend gewenst.