Detectiepoortjes zullen niet helpen

Grof geweld moet in het onderwijs worden tegengegaan. Maar veiligheidsmaatregelen en rigide gedragsregels zullen de explosieve situatie op scholen niet bedwingen, meent Cyrille Offermans.

De reacties op de geweldsexcessen op Nederlandse scholen waren voorspelbaar: er moeten duidelijker orderegels komen die behoorlijke omgangsvormen binnen de scholen vastleggen, verruwing moet worden tegengaan en uitwassen moeten onmogelijk worden gemaakt. En natuurlijk moet er op overtredingen sneller en strenger worden gereageerd, desnoods met inschakeling van particuliere beveiligingsinstellingen, politie en justitie.

Maar strengere gedragsregels alleen helpen niet, sterker, ze hebben op den duur eerder een averechts effect. Zulke regels zijn per definitie onverschillig, blind voor omstandigheden; ze bewerkstelligen een sfeer van wantrouwen, die in het permanent controlerende en evaluerende onderwijs toch al zo ergerlijk dominant is. Soms kunnen ze noodzakelijk zijn, maar ze zijn ook altijd opdringerig, bemoeizuchtig en kleinerend. Wie bij elke stap die hij zet weet dat hij wordt begluurd door een camera, kan makkelijk de neiging krijgen dat ding onklaar te maken, ook als hij niet onmiddellijk met terroristische plannen rondloopt. Aan het vaak onthutsend onderontwikkelde gevoel voor discretie, en niet alleen bij leerlingen, draagt een tot helverlichte vesting omgebouwde school in elk geval het hare bij.

Daarom zouden rigide gedragsregels altijd moeten worden ingevoerd in het perspectief van hun eigen afschaffing, naar het model van het werk van de opvoeder, de leraar en de psychiater: als het goed is, zijn hun werkzaamheden gericht op autonomie en volwassenheid van het kind, de leerling en de patiënt, en dus op hun eigen overbodigheid. De beste opvoeding is er een die het zonder regels kan stellen, ook zonder ,,normen en waarden'', en zeker zonder dreiging en straf. Waar gedragsregels moeten worden ingevoerd, is het eigenlijk al te laat. Het volume waarop de begeleidende stoere zero-tolerance-praat wordt afgestoken, is vooral een indicatie voor het eigen pedagogische falen.

Het is begrijpelijk dat de leiding van het Terra College de moord op Van Wieren een incident noemde zij heeft er immers al het mogelijke aan gedaan de veiligheid op school te bevorderen. Toch pleit het voor minister Van der Hoeven (Onderwijs) dat zíj weigerde van een incident te spreken, al was het moment waarop ze die uitspraak deed hoogst ongelukkig gekozen. Kennelijk is ze ervan overtuigd dat veel geweld verzwegen wordt, en dat er op veel scholen wel degelijk een explosieve situatie bestaat die vandaag of morgen tot nieuwe catastrofes kan leiden. Maar dat scholen zwijgen over wat zich in fietsenkelders en kantines, maar ook in schijnbaar vredige klaslokalen afspeelt aan intimiderend gedrag en erger, is voor een belangrijk deel een gevolg van Haags beleid. Sinds scholen tot onderlinge concurrentie worden gedwongen, houden directies en pr-commissies uiteraard alle vuile was binnenshuis. Het taboe op openbaarheid is hier even vanzelfsprekend geworden als het illegaal sleutelen aan slechte schoolexamenresultaten.

Ook als het over de oorzaken van de toename van grof geweld op scholen gaat, mogen achtereenvolgende ministers van Onderwijs niet vreemd opkijken. De rigoureuze bezuinigingen van de laatste decennia hebben geleid tot fusies en dus tot mammoetscholen en veel te grote klassen, waar een topzwaar `management' en een soms haast stalinistische bureaucratie een onvermijdelijk gevolg van waren. In dat verband wordt de laatste tijd nogal eens met nostalgie herinnerd aan de kleine, gezellige school van vroeger, waar iedereen iedereen kende en waar de normerende effecten van de sociale controle buitensporigheden voorkwamen. Naar mijn gevoel wordt daarbij te gemakkelijk vergeten dat die controle ook vaak gepaard ging met dorpse geborneerdheid en benauwende frustraties, met een exclusieve gerichtheid, kortom, op het continueren van de eigen, gesloten identiteit en traditionele hiërarchieën.

Niettemin, nu die controle vrijwel overal is verdwenen, blijkt die niet alleen restrictief en repressief te zijn geweest; het alomtegenwoordige oog van de gemeenschap werkte ook als een vorm van aandacht, betrokkenheid en solidariteit. Leerlingen die niet meekunnen, die zich vervelen, die gaan klieren en in de ergste gevallen via intimidatie en geweld willen laten zien dat ze wel degelijk meetellen, zijn vaak leerlingen die die positieve, stimulerende dimensie van de sociale controle missen. Daarom zullen er niet alleen preventieve en repressieve, op de korte termijn gerichte maatregelen moeten worden genomen. Veel belangrijker zijn de maatregelen gericht op de lange termijn, die ervoor moeten zorgen dat de school een veilige en stimulerende ruimte wordt, waar kinderen niet zozeer worden klaargestoomd voor een diploma, waarvan de feitelijke betekenis trouwens vaak niets voorstelt, maar waar ze in een ontspannen, niet-concurrerende sfeer leren dat inspanningen tot bekwaamheden en inzichten kunnen leiden die zelfvertrouwen en zelfwaardering en op termijn: werk opleveren. Bovenal moet er een eind komen aan het geïnstitutionaliseerde wantrouwen.

Dat is makkelijk gezegd. In werkelijkheid zal het gaan om moeizame, langdurige leerprocessen. Niet alleen van de kinderen die nu eenmaal naar school moeten, vaak met grote tegenzin, maar vooral ook van de scholen als instellingen, waar, mede als gevolg van een nu al decennialang desastreus onderwijsbeleid, zowat alles is afgebroken wat alleen met gevoel voor de eigen geschiedenis gemoderniseerd had moeten worden. Als de Haagse tranen van nu niet óók worden ingegeven door spijt en wroeging om wat men zelf heeft laten verzieken, zijn het krokodillentranen voor de camera die toekomstig onheil niet zullen voorkomen.

Er zal veel meer geld moeten komen voor ons onderwijs, want de scholen én de klassen moeten veel kleiner, niet alleen vanwege de veelgeroemde overzichtelijkheid, maar ook omdat stimulerende werkvormen een intensieve, ten dele individueel gerichte inzet van docenten vragen die bij de huidige grootte onmogelijk is. Docenten zullen aanzienlijk beter opgeleid moeten worden, eerstegraads docenten academisch, en navenant gewaardeerd, ook financieel. Na de Haagse erkenning dat de basisvorming op een fiasco is uitgelopen, zal er ook snel een einde moeten worden gemaakt aan die onzalige utopie van de tweede fase en het studiehuis. Schooltypes zullen (weer) sterker gedifferentieerd moeten worden: er moeten veel meer scholen komen waar bijna analfabete kinderen niet langer geplaagd worden met boeken en `theorie', maar waar ze een ambacht of een verzorgend beroep leren.

Lessen in moraal en zeker in moraalleer, burgerschapskunde of catechese zijn met het oog op het bijbrengen van fatsoenlijke omgangsvormen zinloos; moraal en fatsoen dienen te worden belichaamd door de leraar, als integraal bestanddeel van diens didactiek. Management en bureaucratie moeten tot een noodzakelijk minimum worden teruggebracht, alle aandacht en energie zouden moeten worden gericht op de kinderen, de groep, het lesgeven. De ideologie van de zelfwerkzaamheid moet dus worden losgelaten; in de praktijk blijkt die, uitzonderingen daargelaten, niets anders dan een eufemisme voor zelfverkwisting, een stimulans tot lamlendigheid, machteloosheid, frustraties en de treurige pogingen daar in één klap mee af te rekenen. In plaats van hen af te richten op abstracte `einddoelen', moeten kinderen de gelukkig makende ervaring opdoen dat ze werkelijk iets kunnen, dat leren zelfverrijking kan zijn. Onbegonnen werk, al met al de hoogste tijd dus om er onmiddellijk mee te beginnen.

Cyrille Offermans is leraar en schrijver.