Migratiestromen

Een van de onthutsende conclusies van het rapport Bruggen Bouwen van de commissie-Blok over het integratiebeleid van de afgelopen dertig jaar, is dat de toegevoegde waarde van immigranten voor de Nederlandse economie verwaarloosbaar is geweest. Tegenover hun economische bijdrage staan even grote uitgaven. Daarmee wordt een klassiek argument voor immigratie, namelijk dat nieuwkomers een aanzienlijke bijdrage leveren aan de economie, onderuit gehaald. Dat gebeurde kennelijk niet in Nederland. Hierbij spelen twee elementen een rol. Veel immigranten zijn niet terechtgekomen op de arbeidsmarkt, maar in de sociale zekerheid. En na de eerste golf van gastarbeiders overheersten asielzoekers en importbruiden het Nederlandse immigratiepatroon in de jaren negentig.

Er is inmiddels een drastische verschuiving opgetreden. Mede door de beëindiging van de oorlogen in onder meer Angola en ex-Joegoslavië, en door de regimewisselingen in Afghanistan en Irak komen er veel minder asielzoekers naar Nederland en andere Europese landen. De beleidsaandacht verschuift naar de beteugeling van de partnerimport onder immigranten van de tweede en derde generatie in Nederland. Terecht, want deze zichzelf in stand houdende import van huwelijkspartners is een zwaarwegende oorzaak van het permanent doormodderende integratieproces. Daarnaast krijgt arbeidsmigratie ten behoeve van moeilijke vervulbare vacatures meer aandacht. Dit speelt met de kwestie van de arbeidsmigranten uit de Oost-Europese landen, met name Polen, die in mei toetreden tot de Europese Unie en daarna aanspraak kunnen maken op het recht van vrij verkeer van personen. Het kabinet heeft afgelopen vrijdag besloten de grens half open te zetten: er komt een tijdelijk quotum voor werknemers uit de nieuwe lidstaten. Politiek gesproken worden de kool en de geit gespaard, maar het is niet meer dan uitstel voor de erkenning van een nieuwe Europese realiteit.

De OESO, de club van geïndustrialiseerde landen, publiceerde vorige week haar jaarlijkse rapport over migratiestromen in de wereld. En wat blijkt: ondanks de economische stagnatie in de rijke landen, is de vraag naar arbeid van immigranten aanzienlijk en vertoont deze zelfs een stijgende lijn. Er blijft, aldus de OESO, sprake van een structurele behoefte aan arbeidsimmigratie. Dit heeft te maken met economische factoren – welvaartsverschillen tussen landen – en demografische verschuivingen. Over twee jaar bereikt de eerste lichting van de naoorlogse generatie in Europa de leeftijd van zestig jaar en begint daarna snel aan haar pensioen. Daarna gaat het hard met de vergrijzing en op termijn is er sprake van een krimpende bevolking in Europa.

Eén manier om de behoefte aan arbeidsmigratie naar rijke landen te beperken is de verplaatsing, op veel grotere schaal dan tot nu toe gebeurt, van productie naar andere landen waar voldoende goed opgeleide arbeidskrachten beschikbaar zijn. Maar dat is voor lang niet alle economische sectoren mogelijk. Er zal dus serieus nagedacht moeten worden over manieren om arbeidsmigratie in goede banen te leiden. In Europees verband, en ook in Nederland. De ervaringen uit het verleden stemmen wat dit betreft niet optimistisch. Er zal kritisch moeten worden gekeken naar schaarste op de arbeidsmarkt, naar de verhouding tussen verzorgingsstaat en nieuwkomers. Maar niets doen is geen optie.