Het kompas en het geweten

Laatst een hele week in Ida Gerhardt doorgebracht. Geen straf, al moet men zich altijd wel even haar gedichten binnenwerken, omdat ze iets ongenaakbaars kunnen hebben op het eerste gezicht. Na een poosje is dat niet meer zo, en is het werk van een verbluffende schoonheid en oprechtheid. Gestrengheid ook. Ze schreef schitterend over `Holland', het land waar ze zo innig van hield en dat haar na de oorlog zo bitter teleurstelde. Waarom, tja. Ze vond dat dit land zijn `taak' of `opdracht' niet kende: ,,O land dat eindeloos in uw opdracht faalt'', schrijft ze. Wat die opdracht is, is niet helemaal duidelijk. Zeker is die niet om landschap te verwoesten, wegen aan te leggen door de natuur, of mindere dichters hoog te achten.

Nooit lijkt Gerhardt níét te weten hoe ze tegenover iets moet staan. Ze maakt wel eens fouten, vanzelf, als iedereen, en ze is, zowel in poëzie als in de correspondentie die er van haar is nagelaten, de eerste om dat ruiterlijk toe te geven. Maar ze heeft heel sterke ideeën over wat juist en goed is, wat de richting is die ze op moet. Of ze een kompas heeft. Wat een beeld is uit een van haar mooiste gedichten, `De reiskameraad', waarin ze schrijft hoe ze, ,,op een onaards uur vertrokken'' in haar jaszak ,,feestelijk'' het kompas weet dat ze als kind eens heeft gevonden. ,,dat mijn trots was, dat het nog is/ dat ik Boreas gedoopt heb''. Dat kompas wijst haar, uiteraard, de richting: ,,of ik zuidwaarts ga of zigzag/ onomkoopbaar, onverbiddelijk,/ richt zich de magneetnaald noordwaarts''.

Rudy Kousbroek schreef een keer dat hij dacht dat dit gedicht met godsbesef te maken had, met een heel protestants en waarheidszoekend godsbesef bovendien. Dat is denkelijk zo. Het heeft vast ook te maken met de richting die haar `vers' op moet, met haar onfeilbare, dichterlijke inzicht daar had ze het nogal eens over. Maar het gaat zeker ook meer in het algemeen over een idee van waar de waarheid is. Alsof morele twijfel niet meer is dan zwakte.

Een vrouw die ook zo'n onfeilbare overtuiging leek te hebben was Andreas Burnier, van wie enkele maanden geleden allerlei essays en interviews in één groot boek verschenen, Een gevaar dat de ziel in wil. Ze laat zich daarin over van alles uit, over feminisme natuurlijk en vrouwelijke homoseksualiteit, maar ook over spiritualiteit, de verzwegen vooronderstellingen van de wetenschap, reïncarnatie, euthanasie. Wat een kracht van opinie! Soms kun je het hartgrondig met haar eens zijn, soms schrik je je te pletter van wat ze nu ineens weer beweert. Ze heeft het ook geregeld over haar `mens- en wereldbeeld'. Zodat je denkt: dat hád zij, een mens- en wereldbeeld. En zodat je je afvraagt: heb ik dat ook. Of zit daar bij mij gewoon een gat. Waar dat kompas al lang doorheen is gevallen.

De laatste week leek iedereen het kompas wel kwijt. Behalve sommigen. Gisteren spraken Dorien Pessers en Connie Palmen met elkaar in het tv-programma Buitenhof onder leiding van Peter van Ingen wat een genoegen om naar te luisteren. Er is nog hoop voor de wereld. Het ging, voor de zoveelste keer, over publiek en privé. Maar ook over deugdzaam lijken of het zijn, over de noodzaak van fatsoen. (Het hele woord is al hoogst achterlijk gaan klinken.) Pessers had het over wat Macchiavelli voor raadgevingen had voor een jonge vorst, en wat Erasmus een jonge vorst aanried. Macchiavelli vond het voldoende als de vorst een fatsoenlijke indruk maakte. Erasmus leek het beter om ook maar fatsoenlijk te zíjn, dan heb je een echt fundament waarop je je gezag kunt bouwen. Pessers prefereerde dat laatste, uit praktische overwegingen. Het leek haar steviger. Maar even later bleek wel dat het haar niet alleen ging om of het praktischer was of niet ze verwácht ook iets van de mensen. Een geweten. Een kompas. Ze vond het laf dat iemand zich verschuilt achter wat toegestaan is (in dit geval: naar de hoeren gaan) en daarmee aan het eigen geweten geen enkele rol meer toekent. Terwijl we weten, en elke een beetje geïnformeerde bestuurder weet dat ook, dat er op tippelzones veel meisjes en vrouwen rondlopen die weinig te lachen hebben en daar gedwongen hetzij door mannen, hetzij door de heroïneverslaving, hetzij door beide op een niet-plezierige manier wat geld verdienen. Hoe kan de verdediging van een zogenaamd fatsoenlijk mens dan zijn: ,,Het is legaal.''?

Paulus wist dat al: ,,Alles is geoorloofd, maar niet alles bouwt op.''

Hoe moeilijk het is geworden om gewoon te weten wat goed is en wat niet, wat je hoort te doen en wat nooit. En om te weten hoeveel fatsoen je van een bestuurder precies verlangt. Misschien alleen al het fatsoen om te zeggen: ik had dat natuurlijk nooit moeten doen. Dat was niet goed.

Ida Gerhardt zou het wel hebben geweten. Hier heeft iemand zó evident in zijn opdracht gefaald dat zij er echt niet lang over na zou hoeven denken, en Burnier al evenmin. Nu is nadenken een mooi iets, dat zag je gisteren in Buitenhof ook, waar Connie Palmen beeldschoon over het belang van mythen sprak en over het gevaar van ontmythologisering. Ze zei dat de mythe van de tolerantie bijdraagt aan de tolerantie, omdat men dan wil meewerken aan de mythe. Bestaat die niet langer, dan komen heel andere gevoelens los. Dan raakt die kompasnaald helemaal door het dolle. Terwijl het toch iets had, ooit, toen Boreas zo feestelijk in de jaszak zat en, `onomkoopbaar, onverbiddelijk', noordwaarts wees.