Diskrediet

De afgelopen week is ons weer eens krachtig gedemonstreerd hoe taal kan worden ingezet om iemand in diskrediet te brengen. Ik heb het natuurlijk, het is onvermijdelijk, over de affaire-Oudkerk. Zoals bekend heeft Oudkerk zijn baan verloren omdat hij prostituees heeft bezocht en dat is heel vreemd, want het is in Nederland volkomen legaal om prostituees te bezoeken. Daarom werden er grofweg twee redeneringen van stal gehaald: ja, je mag wel prostituees bezoeken, maar je mag er niet over praten, zeker niet tegen columnisten. En: ja, je mag wel prostituees bezoeken, maar niet op de tippelzone, want als bestuurder heb je een voorbeeldfunctie en hoor je je moreel onberispelijk te gedragen.

Vooral de verkondigers van die tweede redenering hebben veelvuldig gebruikgemaakt van een bekende taaltruc door te gaan smijten met woorden die voor iedereen een negatieve lading hebben. Als je zou zeggen ,,Oudkerk bezocht prostituees'', dan klinkt dat heel neutraal en acceptabel. In Nederland werken naar schatting 25.000 prostituees en die krijgen dagelijks bezoek van tienduizenden mannen, onder wie zonder twijfel veel mannen met een voorbeeldfunctie, dus als je je morele afkeuring wilt etaleren werkt zo'n formulering niet. Dan zeg je: ,,Oudkerk ging naar de hoeren.'' Of denigrerender: ,,Oudkerk is een hoerenloper.'' En wil je er nog een schepje bovenop doen, zoals veelvuldig is gebeurd, dan gooi je er nog een bijvoeglijk naamwoord tegenaan, bijvoorbeeld ,,Oudkerk is een ordinaire hoerenloper''.

Hoer is in het Nederlands geen neutraal woord. Het wordt vaak als scheldwoord gebruikt en ook in een relatief neutrale context heeft het voor veel mensen een negatieve klank. Hoerenloper is zéér negatief en, als je het over beeldvorming hebt, totaal iets anders dan `iemand die prostituees bezoekt'. Een hoerenloper is voor menigeen een miezerig, angstig mannetje, gehuld in een regenjas met omhooggeslagen kraag. Eerder een sullige boekhouder met een aktetas dan een bestuurder met een voorbeeldfunctie.

Prostituee en hoer komen, zoals taalkundigen dat noemen, uit verschillende registers. Er kunnen allerlei redenen zijn om van register te wisselen (het is ook een geliefd stijlmiddel), maar één reden is om iemand te diskwalificeren, om iemand te veroordelen. En dat dan op een tamelijk slinkse manier, waardoor je zelf buiten schot blijft. Het is niet zo moeilijk om hier andere voorbeelden van te bedenken. Stel dat Oudkerk geregeld naar het casino was gegaan om zijn adrenaline kwijt te raken; ook casino's zijn volkomen legaal in Nederland, maar het klinkt opeens heel anders als je het hebt over gokpaleizen of gokverslaving. Iemand kan na een inspannende dag graag een Campari met ijs drinken, maar als je zo'n onschuldige gewoonte negatief wilt afschilderen kies je voor woorden als zuipen en zuipschuit. In je woordkeus zak je een register en daarmee kom je, in Oudkerks geval, terecht in een wereld die niet wordt bevolkt door de zelfbewuste, `vrije meiden' van de Rode Draad, maar bij de illegale, al dan niet minderjarige hoeren, bij zielige meisjes die worden uitgebuit door hun pooiers. Dat het in werkelijkheid veel genuanceerder ligt, doet er dan niet meer toe: de woordkeuze zorgt, zeker bij intensief gebruik, voor een beeldvorming waar je je onmogelijk tegen kunt verdedigen.

Op radio en televisie heb ik de laatste week heel vaak de woorden hoer en hoerenloper gehoord en ik was benieuwd welke kranten zich hiervan hadden bediend, en dan in hun berichtgeving of commentaren en niet in de columns, want daarin kan zo'n woordkeus een andere functie hebben. De ruimte ontbreekt om veel voorbeelden te geven, maar de ergste komen uit De Telegraaf, waarin Oudkerk in een commentaar en een nieuwsbericht is omschreven als een ,,cocaïnesnuivende hoerenloper'' en een ,,vulgaire hoerenloper''. In de andere landelijke dagbladen beleefde hoerenloper (zonder adjectief) wel een flinke piek, maar meestal in ingezonden brieven en in citaten, zelden in stukken van de redactie zelf. Vermoedelijk komt dat doordat journalisten maar al te goed weten hoe makkelijk je van een woord een wapen kunt maken.