Zwelgen op kantoor

Op weg naar de redactie kom ik langs een paar souterrains waarin kantoren gevestigd zijn. Meestal om een uur of half negen. Het personeel is al aan het werk. Vorig jaar zaten daar op hun vaste plaatsen de rokers, het hoofd een beetje in de nek om niet àlle rook van hun tussen de lippen gehouden sigaret in hun neus te laten komen. Of de sigaret in het gleufje van de asbak naast hun toetsenbord. Die mensen staan nu te kleumen op de stoep. Roken in de kantoren is, althans officieel, geschiedenis. De laatste weken voor de oekaze van kracht werd kon je als passant zien dat de toestand niet normaal was. De regelmaat van de aanblik was verstoord. Ze bleven tussen de bureaus staan praten. Soms liep het hoog op; soms werd er hard gelachen.

Kantoren, zag je alweer, zijn een universum op zichzelf. Lees ook J.J. Voskuil. Dit stukje gaat over een bepaalde kant: de kantoorhumor en het kantoorgesprek. Ik moet een jaar of zes geweest zijn toen ik er voor het eerst iets van zag. Bij kinderziekten, mazelen, rode hond, kreeg ik van mijn moeder een ingebonden jaargang van Het Stuiversblad van vóór de Eerste Wereldoorlog, of jaargangen 1914-1918 van De Prins der Geïllustreerde Bladen. Door die laatste komt het dat ik al vroeg veel wist over de loopgraven, de slag aan de Somme, mosterdgas, Verdun. Uit Het Stuiversblad heb ik een strip onthouden. Die gaat over een secretaresse, enige vrouw op de afdeling. Alle heren maken haar het hof, vergeefs, want, zegt de tekst: `Komt dan het uur van sluiten, voert haar vrijer haar naar buiten'. De vrijer is een jongeman, piekfijn aangekleed, glimmend gepommadeerd haar, die gluipend-triomfantelijk grijnzend, haar een arm geeft. Op de achtergrond kijken afdelingschef en boekhouders elkaar veelbetekenend aan.

Een van de grootste figuren in de kantoorhumor is Guust Flater, de schepping van de Belgische tekenaar Franquin. Guust heeft een geheime liefde opgevat voor juffrouw Jannie, en doet daardoor geïnspireerd zijn uitvindingen. Of speelt op een door hem al uitgevonden muziekinstrument, de flaterfoon. Ook afgezien van deze romance is hij vaak bezig het kantoorleven op te vrolijken. Modern, herkenbaar en onschuldig. Guust is de Leonardo van de kantoren.

Nu op deze donkere ochtenden van de afgelopen week de souterrains passerend, kon je zien dat daar iets buitengewoons aan de gang was. Niemand aan het werk. Het hele personeel verdeeld in samengedrongen groepjes heftig in gesprek, soms in lachen uitbarstend, dan weer met een paar woordvoerders dreigend tegenover elkaar. Kantoor na kantoor min of meer hetzelfde toneel. Je hoefde je oor niet tegen het raam te drukken om te weten waarover het ging. Ik ga dan ook geen namen noemen. Niets stimuleert de kantoorgesprekken en in het bijzonder de kantoorhumor meer dan een onderwerp waarin de hoge moraal en het scabreuze verenigd zijn. Daarover kan iedereen zijn zegje doen, zijn mening uiten, zijn humor deponeren. Vooral dat laatste.

Van een gebeurtenis, het bericht of het gerucht over een gebeurtenis hoef je het fijne niet te weten om erover te kunnen meepraten. Nee, gecontroleerde, exacte wetenschap kan juist het gesprek bederven. Hoe minder de mensen ervan weten, hoe verder ze hun vermoedens de vrije loop kunnen laten. En negen van de tien keer komt de niet-aanwezige over wie het gaat, er slecht van af. In een ondeelbaar ogenblik is het gerucht in laster veranderd, en de eigenschap van laster is dat die zichzelf vermenigvuldigt.

Ik geloof dat ik hier al eens Beaumarchais, de Barbier van Sevilla, heb geciteerd. Daar gaat-ie weer: ,,Laster is als een zacht briesje, een vriendelijk zuchtje dat zoetjes aan begint te ruisen. Lispelend, gonzend gaat het rond, dringt behendig binnen in de oren der mensen, en doet hun hoofd en hun hersenen duizelen en opzwellen. En als het uit hun mond komt, groeit het gekakel... Het vliegt van plaats naar plaats, verdubbelt zich... Brengt een geraas voort dat de lucht doet weergalmen. Een koor van haat. En de ellendige belasterde crepeert; door dit boosaardig lot vernederd en vertrapt, onder de gesel van de mensen.'' Ik heb het wat bekort, dit is de essentie.

Toen, in 1987, verscheen van de hooggeleerde Fransman Jean-Noël Kapferer de grondige studie Rumeurs. Le plus vieux média du monde. Daarin staat alles wat iedere jongen over geruchten moet weten. Hoe ze ontstaan, waarom de mensen er geloof aan hechten, over de snelheid van verspreiding, de medeplichtigen, geruchten op de beurs, op kantoor, en het allerbelangrijkste: over de gevaarlijke kunst van het dementi, of hoe je door een verkeerde ontkenning jezelf verder in het moeras kunt helpen. Kortom, een boek (van bijna 350 pagina's) voor iedere politicus, journalist, televisiemaker om te beginnen, en dan zo verder, tot iedereen die buren heeft.

Ik kwam erop doordat ik die geanimeerde bijeenkomsten in de kantoren zag. Controleer het in uw eigen opgeving. Dit was een week van zwelgen in geruchten.