Zangvervroeging

STEEDS MINDER wetenschappers twijfelen aan het bestaan van het broeikaseffect. De geharnaste broeikas-tegenstanders vallen stuk voor stuk stil, hier en daar klinkt nog een laatste zwanenzang. Dit zijn de jaren waarin de consensus vorm krijgt. Het volgende klimaat-rapport van het IPCC zal het zeker kunnen stellen zonder dat bijna onvertaalbare voorbehoud: the balance of evidence suggests a discernable human influence on global climate. Alleen al op het verschil tussen `evidence' en `proof' beet men de tanden stuk. En wat voor `balance' was dat nu?

In de eenstemmigheid die langzaam ontstaat ontmoeten krasse beweringen over het verdwijnen van het zeeijs rond de noordpool, de gestage uitbreiding van woestijnen en de teloorgang van biodiversiteit minder verzet dan lange tijd gebruikelijk was. Integendeel: velen proberen elkaar nu de loef af te steken met natuurwaarnemingen die de doorzettende klimaatverandering lijken te bevestigen. Op de internetsite www.dow.wau.nl/msa/natuurkalender, waar wordt bijgehouden wanneer planten en bomen voor het eerst bloeien en wanneer trekvogels terugkeren, is een ware jacht op het eerste sneeuwklokje en de eerste koekoek ontstaan. Vorig jaar kreeg de site 8.000 spontane meldingen. Alleen al door deze almaar groeiende deelname moeten de data van eerste klokjes en koekoeks wel naar voren schuiven.

Ook de fenologie, het onderzoek naar de relatie tussen opvallende natuurverschijnselen en meteorologie, beleeft dus een bloeitijd. Decennialang is er wat lacherig overgedaan, men kòn desgewenst zijn waarnemingen naar het KNMI zenden, maar dat verzocht vriendelijk het niet te overdrijven, maar nu verschijnt de fenologie ook in de kolommen van Nature en Science. Vorig jaar (2 januari 2003) publiceerde Nature een artikel (`A globally coherent fingerprint, enz.') van de biologen Parmesan en Yohe die door het combineren van heel veel eerder onderzoek (een `meta-analyse') wisten te bewijzen dat natuurlijke systemen al meetbaar op klimaatverandering reageren. De fenologische verschuivingen die ze in hun analyse opnamen omvatten waarnemingen aan kikkerdril, het nestelen van vogels en bloeien van bomen en het weer verschijnen van trekvogels en vlinders.

Toen Nature er twee weken geleden (8 januari 2004) een schepje bovenop deed en een spoedig uitsterven van een kwart van alle landdieren en landplanten voorspelde, toen hadden Nederlandse televisie-journalisten dan ook geen enkel moeite om waarnemers te vinden die de ongunstige tekenen al in de eigen tuin hadden opgemerkt. De geraadpleegden zagen hazelaars bloeien en fluitekruid opkomen en hoorden ook al `overal vogels zingen'. Welke vogels in het bijzonder, hadden de tv-journalisten moeten vragen maar zij deden het niet.

Een fenologische valkuil is dat er een paar vogelsoorten zijn in Nederland die het hele jaar door zingen. Het winterkoninkje doet dat, al is zijn liedje 's winters korter dan 's zomers, en vooral het opdringerige roodborstje. Anders dan veel andere vogels heeft het roodborstje een winterterritorium, een voedselterritorium en dat maakt hij kenbaar door steeds dat prevelende liedje te laten klinken.

Ook koolmeesjes kunnen, zeggen deskundigen, al midden in de winter hun zang ten gehore brengen, al is dat voor de amateurfenoloog misschien niet altijd even duidelijk. Dat is een andere valkuil: de `zang' (song) van sommige vogels klinkt niet altijd heel verschillend van de `roep' (call). `Zang' is er voor het bewaken van voedsel- en broedterritoria en het lokken van vrouwtjes, `roep' is er vooral voor het bewaren van onderling contact. Roep klinkt het hele jaar. Het zagerige tita-tita of titita-titita van de koolmees gaat voor zang door.

Een derde probleem is dat de vogeltrek met de zang interfereert. Wie de eerste tjiftjaf hoort zingen, als dat tenminste zingen ìs, noteert niet anders dan de aankomst van de vogel: het diertje arriveert zingend. Maar ook onder veel vogels die standvogel lijken (omdat ze hier het hele jaar gezien worden) komen moeilijk zichtbare verschuivingen voor. Onder kokmeeuwen en spreeuwen is de wisseling van de wacht tamelijk volledig (vandaar dat men liever van `jaarvogels' spreekt) maar ook onder de zo te zien zeer honkvaste merels treedt toch beperkte trek op.

Interessanter is natuurlijk de vraag of er überhaupt zangvervroeging te verwachten is als het voorjaar steeds eerder arriveert. Al lang geleden is aangetoond dat het begin van de vogelzang hormonaal gestuurd wordt (een injectie met geslachtshormoon brengt de zang bijna meteen op gang) en dat deze sturing weer onder invloed staat van de daglengte. Pas als de dagen weer geleidelijk gaan lengen vinden in de vogelhersentjes de (ingrijpende) veranderingen plaats die zang mogelijk maken. Aan het dag-en-nachtritme kan het broeikaseffect weinig veranderen.

Dat kan wel zo zijn, menen biologen, maar het valt niet uit te sluiten dat er ook nog een temperatuur-effect overheen gaat. Per slot is ook het gaan bloeien van veel planten gekoppeld aan een bepaalde daglengte: er worden korte-dag-planten en lange-dag-planten onderscheiden. Maar er is tegelijk een onbetwiste invloed van de temperatuur op het begin van de bloei.

Toch is het een veeg teken dat in het genoemde Fingerprint-artikel uit Nature geen waarnemingen aan eerste zangdagen zijn opgenomen. En de Natuurkalender neemt nog maar zo kort waarnemingen aan vogelzang op dat geen serieuze conclusies mogelijk zijn. Arnold van Vliet, die de website beheert en de waarnemingen statistisch bewerkt, heeft zich verbaasd over het feit dat in de extreem warme maand februari 2002 de eerste vinkenslag toch pas voor het eerst op 22 februari werd gehoord. In het veel koudere 2001 was dat 17 februari. De afdeling fenologie van het AW-labo let al ruim 25 jaar op de eerste merelzang, maar heeft daarin nog geen opvallende trend kunnen ontdekken. De eerste waarneming viel tijdens het Rotterdamse Filmfestival, de meeste recente opnieuw.