Seks als wapen

Niets is veranderlijker dan de zedelijke opvattingen binnen een samenleving. De affaire-Oudkerk illustreert dat: een paar jaar geleden was het moeilijk denkbaar dat een politieke ambtsdrager in het openbaar zou worden afgerekend op het feit dat hij prostituees bezocht, en daarom zijn functie moest opgeven. Toch is dat afgelopen week in Amsterdam gebeurd.

In de Haagse politiek, en onder de groep journalisten die daar min of meer permanent omheen zwermt, is het nog steeds ongebruikelijk om zich met een dergelijke ijver op iemands seksleven te storten. Seksuele gedragingen van politici duiken bij tijd en wijle op in de gniffel- en roddelcircuits in en rond de ministeries en het parlement – wat dat betreft gedraagt de landelijke politieke elite zich niet anders dan het personeel van een gemiddeld verzekeringskantoor. Maar waarover ook gekletst wordt (rokkenjagen, overspel enzovoorts) – het haalt hoogstzelden de media. Er wordt door journalisten praktisch nooit iets uitgezocht op dit gebied. In dat licht is het begrijpelijk dat Rob Oudkerk meende dat de pikanterieën die hij tegenover een columniste van Het Parool debiteerde niet in rauwe vorm in krantenkolommen zouden verschijnen. In zijn acht jaar in de Tweede kamer had Oudkerk voor zoiets niet of nauwelijks hoeven vrezen.

Niet dat er in Den Haag officiële afspraken bestaan om seksuele gedragingen van politici uit de openbaarheid te houden. Het gaat eerder om een breed gedeeld gevoel dat privé-gedragingen alleen vermelding waard zijn wanneer er een aantoonbare invloed van uitgaat op het politiek of bestuurlijk functioneren van de politicus – vóór publicatie, wel te verstaan.

Maar wanneer is een privé-omstandigheid van invloed op iemands politieke functioneren? Dat is een kwestie van inschatting, en dus voor discussie vatbaar. Had de politicus die twintig jaar geleden in een Oost-Europese hoofdstad met een prostituee meeging aan de schandpaal moeten worden genageld omdat redelijkerwijs kon worden gevreesd dat zij voor de plaatselijke geheime dienst werkte? Deze krant, die het had waargenomen, ging niet tot publicatie over. Privé, vond de redactie.

Een complicatie is dat in het Nederlandse parlement een grote verscheidenheid bestaat aan zedelijke opvattingen. Twee parlementariërs uit klein-christelijke kring hebben last gehad van roddels in hun partij over gebrekkige huwelijkstrouw – een gegeven dat in niet-christelijke kring weinig opzien zou baren. Overigens wordt van geen enkel Kamerlid bij zijn intrede in de volksvertegenwoordiging een gelofte van kuisheid gevergd.

Pim Fortuyn – hoor je soms – heeft door een grote mededeelzaamheid over zijn seksuele leven in het jaar 2001 de normen voor het rapporteren van seksuele gedragingen van politici verruimd. Dat is slechts ten dele waar: homoseksualiteit was al jaren geen opzienbarend gegeven meer in de Haagse politiek. Wel was Fortuyn vermoedelijk de eerste politicus in de geschiedenis die aan bedervaringen, met allochtone jongens, politieke conclusies verbond, over integratie.

Als er iets in 2002 wees op een verschuiving in de normen op dit gebied, dan waren het eerder de reacties op twee anonieme artikelen in het weekblad Weekend in februari 2002. Vooral de eerste had iets weg van politieke chantage. Er werd in beweerd dat ,,een lijsttrekker'' regelmatig een Haags sm-bordeel bezocht. `Iedereen in Den Haag' kende zijn naam, schreef Weekend. Twee weken later noemde het blad pas de naam.

Als het geen chantage was, dan was het eerste stuk in Weekend toch zeker een provocatie. Want misschien wel de meest verspreide roddel in Den Haag gold de beweerde sm-voorkeuren van een prominent politicus. Maar het is niet te wijten aan de Haagse journalistiek dat dit verhaal in verkiezingstijd wijdere verspreiding kreeg. De media-redactie van de Volkskrant nam het voortouw, in een verhaal over `de rol van de media in de politiek'. Lezers van NRC Handelsblad vernamen het van twee columnisten.

Het is de vraag of de kranten over deze gang van zaken tevreden kunnen zijn: de beweringen van Weekend zijn tot op heden nooit door feiten gestaafd, hoewel daar wel naar is gezocht. Evenmin is duidelijk wat de achtergrond was van de artikelen in Wee- kend, die door een insider leken geschreven.

Voorstanders van grotere openheid op dit gebied geven soms als argument dat politici in de openbaarheid opereren en er ter wille van hun imago ook niet op tegen zijn dat de meer verheffende aspecten van hun privé-bestaan in de openbaarheid komen: de liefhebbende echtgenoten, de kinderzegen. Maar die `positieve' openhartigheid is eerder uitzondering dan regel, zeker sinds in 2002 grimmige bedreigingen voor politici een regelmatig verschijnsel werden.

De neiging om in het openbaar het privé-leven van politici aan de kaak te stellen heeft meer weg van een politiek fenomeen: het komt voort uit een – deels wellicht onbewuste – neiging om de politiek en haar beoefenaren te kijk te zetten als een bedenkelijk zooitje. Dat lijkt een boude bewering, maar het zou niet voor het eerst zijn in de geschiedenis.

De historicus Dennis Bos (geen familie) heeft in zijn inleiding tot de heruitgave van Koning Gorilla, een roemruchte brochure uit 1887 over beweerde seksuele uitspattingen van koning Willem III, laten zien dat deze niet op zichzelf stond. In Recht voor Allen en andere vroeg-socialistische bladen wemelde het van de opgewonden, vermoedelijk deels verzonnen verhalen over roze balletten en andere seksuele liederlijkheden van vooraanstaande persoonlijkheden, ook in de politiek.

Bos ziet deze publicaties als een strijdmethode van de vertegenwoordigers van de arbeidersklasse tegen de zittende elite. In deze jaren voor de oprichting van de SDAP, de eerste moderne arbeiderspartij, en de invoering van het algemeen kiesrecht greep men naar zedenkritiek als middel om aan te geven dat er iets moest veranderen in de politiek. Dat is ook gebeurd. Het is wel een strijdmethode die in Nederland, tot voor kort, als primitief en achterhaald werd beschouwd. Ik stel voor om het daarop te houden.