Over het belang van aandacht en ontvankelijkheid

Volgende week donderdag is het nationale gedichtendag. Hoe kan het dat een gedicht, die paar woorden, soms het gevoel geeft dat er een grote complexe waarheid is onthuld?

Een mooie psalm is psalm 127 ,,Als de Here het huis niet bouwt,/ tevergeefs zwoegen de bouwlieden daaraan.'' Het is niet voldoende om je best te doen, wil je iets goeds maken. Er komt nog iets anders bij kijken, en dat andere, dat wordt hier samengebald in het woord `de Here'. Niemand gelooft dat hij het bouwen van het huis geheel aan de Here kan overlaten, evenmin als het bewaken van de stad, het werken voor het brood - maar in deze psalm wordt bijna gedaan alsof dat wel zo is. ,,Hij geeft het immers zijn beminden in den slaap'' staat er. Zwoegen, wat nut. Het komt er maar op aan dat de Heer met je is.

Het zou makkelijk allemaal reuze bigot kunnen klinken, maar het ligt er een beetje aan hoe je het leest. Je hoeft het niet te lezen als het sprookje van de Heer die overal voor zorgt, maar als een beeld voor het extra, dat waar we geen woorden voor hebben, dat maakt dat iets goed is, gelukt is, bijzonder is, werkelijk krachtig is. `Iets' kan bijvoorbeeld een kunstwerk zijn. Een kunstwerk met dat geheimzinnige extra, dat maakt dat wij kunnen zeggen dat we er `verrukt' van zijn, of `ondersteboven'. Van een stoel of een sok, hoe goed gemaakt ook, zijn we dat niet snel. Datgene wat kunst ons doet, voelt niet aan als veroorzaakt door louter techniek, louter ambacht. Het is iets anders, iets ongrijpbaarders. De dichteres Ida Gerhardt schreef eens: ,,Dat wat een vers tot vers maakt,/ ís niet van sterfelijke oorsprong.''

Zoals zij hebben meer dichters zich uitgelaten. Ze hebben niet het gevoel dat wat ze schrijven helemaal uit hen zelf voortkomt. Sommige dichters drukken zich zelfs zeer metafysisch uit, ze spreken over verzen die er al zijn en alleen door hen neergeschreven hoeven te worden, alsof ze de vroedvrouw zijn van nog ongeboren kinderen. Zulke kunstenaars suggereren dat kunstwerken slechts door de kunstenaar herkend hoeven te worden, en dan getoond. De kunstenaar is niet de bron van het kunstwerk, hij is de middelaar, zou je bijna kunnen zeggen, tussen de wereld van de kunstwerken, wat dat dan ook voor wereld mag zijn, en deze wereld, die waarin wij ons bewegen met onze onvolmaakte zintuigen.

Niet alle kunstenaars zien het zo verheven. Gerrit Achterberg schreef: ,,De dichter is een koe'' en liet een dier aan het woord dat al herkauwend zich niet eens meer weet te herinneren dat het zo'n soort dier is dat eerst lopend eet en dan liggend nog eens. Zijn koe is een heel onbewuste koe, een dier waarin dingen plaatsvinden, dat opkijkt van de eigen beeltenis in de sloot, en zich dan afvraagt: ,,hoe komt die koe ondersteboven?''

Zijn voorstelling van zaken komt in de buurt van die van de dichter Robert Anker die de schrijver ,,een dom kind'' noemde en schreef: ,,Er is niets tegen de schrijver dom te noemen. Vragen wat hij bedoelt, heeft geen zin. Ieder antwoord zou een vereenvoudiging zijn van het werk, dat namelijk complex is.''

Dichters hebben het over ,,gedachten bemachtigen'' over ,,woorden vangen'', alsof ze eerder vissers en jagers zijn dan de bron van wat ze maken. Nietzsche heeft ooit geschreven dat niet de denker de aanstichter is van de gedachte, maar dat het de gedachte zelf is die besluit haar entree te maken in de salon van het bewustzijn. Het begint nu steeds metafysischer en eigenaardiger te klinken, maar zoals Nietzsche het beschrijft, met die tamelijk zelfstandig opererende gedachten, zo gaat het vaak wel. Zeg je: ik zal daar eens over nadenken, dan heeft het geen enkele zin om op een stoel te gaan zitten `nadenken'. Op een gegeven moment blijk je `er' over nagedacht te hebben. Ineens heb je een mening, een oplossing, een plan. ,,Hij geeft het zijn beminden in de slaap''- niet zelden is er 's ochtends een idee dat er vóór het slapen gaan nog niet was. De uitdrukking ,,ergens een nachtje over slapen'' is zo gek nog niet.

Een dom kind en een koe klinken heel wat minder verheven dan Ida Gerhardts ,,niet van sterfelijke oorsprong'' of haar bewering dat ze ,,één groot vermogen'' is, maar het komt toch misschien grofweg allemaal op hetzelfde neer: de kunstenaar maakt een kunstwerk zonder dat hij of zij zich volkomen bewust is van wat er gebeurt.

We moeten dat onbewuste ook weer niet overdrijven. Natuurlijk weet degene die de beitel neemt om een stukje gladder te maken, precies hoe hij dat moet doen, en ook waarom hij dat wil, en de dichter die een woord vervangt door een ander woord, een komma zet of een rijmklank toevoegt, is ook eerder met iets technisch, iets ambachtelijks bezig dan met iets onzegbaars. Er is heel veel aan een kunstwerk, aan het maken ervan, dat eenvoudig uitgelegd kan worden, toegelicht, geleerd. Kunst maken is veel zwoegen en zuchten en maar weer opnieuw beginnen en nog eens proberen en tobben en prutsen. Het woord `inspiratie' is dan erg onbelangrijk, en van die inspiratie zien we ook niet veel terug. Rutger Kopland schreef daar eens een treffend gedicht over, `Er blijft over te praten':

Ik zat nog te tobben met zijn woorden:

dichtregels worden de dichter gegeven,

terwijl hij alweer in zijn sigaar hapte.

Dat heb ik nooit geweten, wel dat soms

een vreemd soort ontroering opkomt

waarvoor ik naar woorden zoek.

Zo draag ik al weken het beeld

in mij om van B, haar ernstig gezicht

in de capuchon, de boterham in de tas,

op weg naar de eerste klas. Geen

woord werd mij gegeven, integendeel.

Ieder woord geef ik voor een beter.

Zo'n bewering als ,,dichtregels worden de dichter gegeven'', de mythe van de inspiratie, de inblazing van elders, daar wordt in dit gedicht korte metten mee gemaakt. Het enige wat Kopland hier schrijft te kennen is ,,een vreemd soort ontroering''. Die leidt tot een gedicht.

Hoe komt het, dat iets, een gedachte, een ding, een lichtval, de dichter ineens kan voorkomen als een mogelijk gedicht, dat een paar woorden ons ineens voorkomen als een uiterst complexe waarheid? Er is een mooi woord voor de toestand waarin men in staat is om iets werkelijk tot zich door te laten dringen: ontvankelijkheid. Het is ontvankelijkheid die maakt dat bij het zien van een ernstig meisjesgezicht in een capuchon ,,een vreemd soort ontroering'' opkomt. Ineens toont zich dat gezicht als iets dat betekenis heeft, ertoe doet, zonder dat degene die het ziet nog precies weet wat het dan betekent. Hij weet alleen: dat ís iets. Daar zit iets. Een gedicht. Misschien is de dichter, elke kunstenaar, in de eerste plaats iemand die ontvankelijk is voor wat de wereld, de mensen om hem heen, de dingen, de insecten, de vlekken op de tafel, de slootkant, het stadslawaai, woorden, hoe een hand op tafel ligt, het ademen van een dier – voor wat alles wat er is, hem te zeggen heeft.

Woorden als `middelaar' of `vermogen' klinken erg passief. Alsof de kunstenaar niet meer hoeft te doen dan afwachten tot er iets komt. Dat is misschien ook wel zo, maar het is een speciaal soort afwachten. Ontvankelijk afwachten. Geen onverschilligheid maar hypersensitiviteit.

Taoïsten noemen dat ,,the doing of not-doing'', een uitdrukking waarin de passiviteit verdwenen is, want er is sprake van `doing', zonder dat er een activiteit voor in de plaats gekomen is, want er is `not-doing'.

In sommige oosterse tradities is het zich leegmaken juist iets heel nastrevenswaardigs, in plaats van almaar te koekeloeren naar wat er binnen in ons leeft. Zich leegmaken, betekent zichzelf vergeten, de dagelijksheden vergeten en zich openstellen voor iets anders. Het is de meesten van ons niet gegeven, het vergt veel oefening, schijnt het, en dan nog. De vraag is bovendien hoe leeg we willen worden. De Poolse dichter Zbigniew Herbert schreef eens een gedicht over dat verlangen tot ontlediging, tot het bewustzijn zonder meer, dat hij ,,de zuivere gedachte'' noemt. Maar zijn personage, Meneer Cogito, slaagt er absoluut niet in om nergens aan te denken. Steeds steekt weer een of andere gedachte, vaak heel alledaags de kop op.

Het is buitengewoon moeilijk, niet alleen voor meneer Cogito maar voor de meesten van ons, om niets te zijn dan een bereidheid, een meter die aanstaat, een ruimte die gevuld kan worden. De filosofe Patricia de Martelaere schreef: ,,Regels om daartoe te komen zijn er niet, geen enkele inspanning leidt daartoe, en toch is geen enkele inspanning overbodig.''

We moeten ook vooral niet te verheven doen over die leegte. Herberts gedicht bijvoorbeeld gaat dan wel volgens de titel over ,,de zuivere gedachte'' maar intussen zingt hij toch de lof van veel gewonere dingen: van de zintuiglijkheid, geuren, tastzin, kijken. Hij kan zich niet losrukken van de lijfelijkheid, de hand op de stoel, de rimpel in de wang. Quasi is die verre zuivere gedachte het nastrevenswaardige, maar eigenlijk zegt Herbert hier: het gaat meneer Cogito om heel andere dingen. Om het gewone leven. Dat is zó belangrijk, dat hij het niet kan loslaten voor zoiets als de zuivere gedachte. Misschien later nog eens. Als hij `afgekoeld' is. Dat klinkt als: bijna dood.

Dichten is niet een verheven spreken over de leegte, al is er misschien enige leegte voor nodig om tot dichterlijk spreken te komen. Maar de dichterlijke woorden en beelden zelf houden zich vaak verrassend dicht bij huis op.

De meesten van ons hebben het kunstwerk nodig om aangezet te worden tot die gevoeligheid voor wat er is. Maar allemaal kennen we de ervaring, hetzij dankzij een kunstwerk, hetzij `rechtstreeks', van soms iets meer te ondervinden, iets meer te zien, belang te zien in iets gewoons, een vermoeden te hebben van samenhang. Op zulke momenten lijkt niets plat, maar krijgt alles diepte en betekenis. Het woord `epifanie', verschijning, wordt daar wel voor gebruikt: plotseling laat iets zich zien, wordt er iets getoond van de werkelijke wereld, wordt er iets onthuld – wat dat dan ook mag zijn. De dichter probeert daar woorden voor te vinden, die de sensatie niet uit hoeven te leggen of te verklaren. Ze moeten haar oproepen, in al haar raadselachtigheid.

De Franse filosofe Simone Weil schreef over de `aandacht'. Die leek haar een voorwaarde voor bijna alles, voor het begrijpen van een wiskunde som, voor het tot zich door laten dringen van de schoonheid van een gedicht en bovenal voor het bidden. Die aandacht van haar lijkt nogal op dat taoïstische actieve niets-doen. Ze schrijft: ,,De aandacht bestaat uit het opschorten van het denken, het beschikbaar laten zijn van het denken, leeg en open voor de dingen.'' Aandacht is niet de wenkbrauwen fronsen en ingespannen naar iets zitten turen. Met spierbewegingen heeft het niet te maken. Integendeel. Hoe het dan wel precies moet, zich openstellen, dat valt niet te zeggen, het lijkt vaak meer iets dat ons overkomt dan een wilsact. Maar Weil meent dat het vermogen tot aandacht ontwikkeld kan worden. Zij heeft het ook vaak over ,,in geduldige afwachting-zijn''.

Je kunt geen gevoeligheid of ontvankelijkheid afdwingen, al kun je misschien wel je best doen om niet dicht te vriezen. Gedichten zijn, ook, ontvankelijkheidsvergroters. Wie ze met echte aandacht leest, vergroot zijn eigen sensibiliteit, zowel voor de taal als voor de wereld.

Maar wat wordt er dan afgewacht. Is er dan iets om beschikbaar voor te zijn. Wat zien en zeggen de dichters, wat ervaren sommigen in het gebed. Is dat ons `onbewuste', is het `God', is het niet meer dan het ruisen van ons bloed dat op woorden lijkt, is het niet meer dan het allergewoonste, allergrijpbaarste dat we optuigen met te grote woorden?

Misschien. En als het alleen maar vermoedens en woorden zijn die verbanden en betekenissen die we soms menen te kunnen ervaren, wat dan nog? Als het woorden zijn die ons optillen, die spreken over eeuwigheid, over waarheid, over trouw en troost, als die woorden ons het gevoel geven dat ze meer zijn dan lege woorden, dat ze inhouden zijn, bestaande inhouden die zich bovendien kunnen hechten aan een plukje haar, een herkauwende koe, een bord zuurkool – wat is dan de zin van de vraag naar óf er iets meer is dan de waarneembare, beschrijfbare werkelijkheid. Dan is er de ervaring, die niet in twijfel getrokken hoeft te worden. En die ook niet bewezen hoeft te worden en zelfs niet per se benoemd. Hooguit uitgebeeld door een gedicht of een schilderij, hoorbaar gemaakt in een paar maten muziek.

Het woord `inspiratie', inblazing letterlijk, lijkt te beweren dat er iets van buiten komt, dat naar binnen waait of blaast. De dichter Chr.J. van Geel zei: ,,Beeldspraak is wat leeft.'' Beeldspraak van wat? Het is een manier om uitdrukking te geven aan het vermoeden dat alles betekenis heeft, al valt niet te zeggen wát het dan betekent. Alleen maar dát het zo is. Waarschijnlijk.

Je zou ook kunnen zeggen, en menigeen doet dat ook, dat het van binnen komt, uit onze eigen, ons onbekende, diepste grond – daarvandaan omhoog komen de ongewilde gedachten, de dromen, de woorden voor de gedichten, de noten voor de muziek.

Wat ons, of de traditie, denkelijk ingeeft om van inblazing te spreken, is dat menig gedicht wijzer is dan de kunstenaar. Je kunt een dichter verrassen met een lezing van zijn of haar gedicht die volkomen aannemelijk is maar die dat domme kind zelf nog helemaal niet gezien had. Omdat het werk, zoals Anker schreef `complex' is, als het goed is. Het werk is meerduidig, het betekent veel, maar wát allemaal, dat weet de dichter niet per se en al `weet' hij het wel, dan kan hij het nog niet anders zeggen dan met dat werk zelf. Zo kunnen schrijvers ook door hun eigen wijsheid verrast worden, soms jaren later: alsof hun boek of hun gedicht al wist wat ze zelf nog helemaal niet wisten. Omdat ze bijvoorbeeld zonder te weten hoe ze daar bij kwamen een gebiedende wijs gebruikten, zodat hun gedicht een opdracht werd – ,,fictie'', dachten ze, ,,een verzinsel dat hier wel goed werkt''. Maar op een dag lezen ze het en weten ze: het is een opdracht aan mijzelf. En de lezer die het leest, en die er ontvankelijk voor is, denkt: zo moet ik leven. Die kan zelfs denken: die dichter weet hoe ik moet leven! Maar dat weet die dichter niet. Die heeft alleen maar woorden gevonden voor ,,een soort ontroering'', voor iets alledaags dat zich aan hem of haar vertoonde als een ,,epifanie''. De dichter kon dat doen, omdat hij of zij aandacht had en niet meteen het denken losliet op wat er te zien, te voelen, te ruiken was.

Zo vinden de dichters dingen waar ze niet naar zoeken. En wij, als we hun poëzie lezen hopelijk ook. En als we die gedichten met aandacht lezen, dan levert dat zeker altijd iets op, zelfs als we niet weten wat. Dan blijkt de wereld betekenisvol, maar we kennen de betekenis niet. En we kunnen er ook niet naar zoeken, met gefronste wenkbrauwen en turende ogen, want dan vinden we niets. Simone Weil zei het streng, maar goed: ,,De kostbaarste waarden moet men niet zoeken, ze moeten worden afgewacht.'' Om dat actieve maar rustige afwachten gaat het, zowel voor dichters als voor lezers. Voor iedereen. Dan zal wel blijken wat de kostbaarste waarden zijn. Want in die toestand zullen we er oog voor hebben, hoe ze er ook uitzien: als een kindergezicht in een capuchon, als een rimpel in een wang, als een kistje op een vuilnisbelt. Ze zullen ons niet ontgaan.

Marjoleine de Vos is dichter en redacteur van NRC Handelsblad