Ga wat meer roffelen, joelen, klappen en roepen: oorlog in de Kamerbankjes voorkomt die op straat

Tweede-Kamerleden voeren saaie, ongeëmotioneerde discussies. Over de terreur van de consensus onder Paars en de verregaande onwil van de oppositie om polemische standpunten in te nemen.

Een zacht rinkelen van koffiekopjes en schoteltjes duidt aan dat een verversing voor de Kamerleden onderweg is. Urenlang zitten zij in zogeheten Algemeen Overleg met de bewindspersonen in een van de commissiekamers van de Tweede Kamer, in een halvemaansopstelling die aan het Laatste Avondmaal doet denken. Tegenover hen gaapt meestal een lege tribune, afgezien van wat ambtenaren en een verdwaalde journalist.

Geen omgeving waar de welsprekendheid hoogtij kan vieren, zou je denken – ondanks de aan een theater herinnerende opstelling. En dat is ook zo: het debat van een Algemeen Overleg is meestal zodanig gedetailleerd dat een niet-belanghebbende er weinig te zoeken heeft. De binnenkomst van de bode met zijn karretje met koffie en thee vormt menigmaal het dramatisch hoogtepunt van de uren durende bijeenkomst.

Er is geen reden om de 150 mannen en vrouwen die u en ik naar de Tweede Kamer hebben gestuurd, te beklagen: het is een redelijk betaalde functie, en bovendien hebben ze veel vrij. De Kamer, net terug van het kerstreces, gaat eind volgende maand weer twee weken op krokusreces. Toch denk ik niet dat ik het als Kamerlid erg lang zou uithouden. Niet zozeer vanwege de vele vergaderingen, waar de een misschien wat beter tegen kan dan de ander, maar vooral omdat het in die vergaderingen maar al te vaak vreselijk vervelend is. Niet alleen in de commissiekamers, maar ook in de grote, plenaire zaal is vaak saaiheid troef.

Als je op de televisie beelden ziet van het Franse parlement, of het Duitse, of het Britse Lagerhuis – toch geen apert onbeschaafde landen – dan zie je hoe ze daar joelen, luid protesteren, instemmend klappen en roepen. Zelfs in het Europees Parlement, niet de meest tot de verbeelding sprekende volksvertegenwoordiging, is dat aan de orde van de dag. Maar in het Nederlandse parlement zijn zulke manifestaties van instemming of afkeuring ver te zoeken – daar wordt over het algemeen ingetogen gedebatteerd, en na afloop ordelijk gestemd, en verder niets. Frans, Duits of Brits gedrag zou in onze volksvertegenwoordiging als buitengewoon ongepast, of zelfs schokkend worden ervaren. Wij doen dat soort dingen niet.

Het kan natuurlijk nog sterker dan in Parijs, Londen of Berlijn. Het schijnt dat men in het parlement van Aruba met enige regelmaat daadwerkelijk op de vuist gaat. Ik heb eens op een receptie staan praten met twee Arubaanse volksvertegenwoordigers die dat juist de week daarvoor hadden gedaan. Ze konden er wel om lachen, maar tegelijkertijd zag je hun adrenalinespiegel, bij de herinnering, weer langzaam stijgen. Dat wil ik hier dus niet bepleiten, de invoering van het vuistgevecht in de Tweede Kamer.

Ik wil trouwens ook niet geklap of geroep als zodanig bepleiten. Waar het om gaat is de vraag of de afwezigheid van deze fenomenen een aanwijzing vormt dat het Nederlandse politieke debat, in de Tweede Kamer, passielozer en bleker is dan in de ons omringende landen. Dat het, om een modeterm te gebruiken, ,,geen ballen'' heeft. Dit vermoeden is juist, vrees ik. Op grond van vele uren persoonlijke verveling, wachtend op nieuws.

Toegegeven, het gaat wat beter dan in 2000 en 2001, de laatste jaren van Paars, toen ik voor mijn werk voor het eerst Kamervergaderingen bijwoonde. Een van mijn eerste ervaringen was dat een Kamerlid een ander van het gebruik van ,,demagogische argumenten'' beschuldigde. Aha, nu wordt het leuk, dacht ik in mijn onschuld, toen de aangesprokene naar de interruptiemicrofoon beende. Maar dat viel tegen: hij richtte zich tot de voorzitter om te eisen dat spreker het woord `demagogisch' zou terugnemen. Dat deed spreker. `Demagogie' geldt in ons parlement kennelijk als een ontoelaatbare belediging, een overschrijding van de goede vormen.

Dit incident was, bedenk ik achteraf, vooral typerend voor de hemeltergende doodsheid die zich in de nadagen van Paars had meester gemaakt van de vaderlandse politiek. Ik had, voordat ik in Den Haag kwam werken, eigenlijk gedacht dat Paars – althans impliciet – een ideologisch, antiklerikaal programma had: de verdrijving van de christendemocraten uit de tempel van de macht.

Maar niets van dat al – tenminste, het mocht niet openlijk gezegd worden. Premier Kok was, zoals hij had gezegd, ,,premier van alle Nederlanders''. Partijganger zijn, dat gold kennelijk als iets vies. Volgens mij hadden we daar nu juist de koningin voor, om van alle Nederlanders te zijn.

Ten tijde van Paars speelden vrijwel alle debatten in de Kamer – we hebben het hier alleen over de grote partijen – zich af op een zakelijk, volledig gedeïdeologiseerd niveau. Men bediende zich vaak van een bestuurskundig soort newspeak, waar voor de oppassende burger geen touw aan vast te knopen was. Toch was het ontbreken van ideologie maar schijn, want er speelde wel degelijk één belangrijke, onuitgesproken norm: het morele gebod van de consensus.

Dat bleek bijvoorbeeld toen CDA-leider Jaap de Hoop Scheffer eens (zakelijke) bezwaren zag in het sturen van Nederlandse vredessoldaten naar Eritrea. Op een toon van ingehouden woede en misprijzen – een van Koks retorische specialiteiten – maakte de premier de CDA-leider duidelijk dat hij zich met dit – in Kamerzetels voor het kabinet overigens ongevaarlijke – verzet volledig buiten de nationale gemeenschap plaatste.

Het is deze norm van politieke consensus, die ten tijde van Paars een ware terreur betekende voor de politieke cultuur in de Kamer. `Terreur' is natuurlijk een zwaar woord, temeer daar zondaars tegen de norm niet voor hun leven hoefden te vrezen. Maar aan de andere kant waren de regels voor juist gedrag nergens vastgelegd of omschreven – juist daarom ging er een soort sinistere dreiging van uit. Altijd maar in de plooi, altijd maar verantwoord willen zijn en dan op eieren moeten lopen. Ik heb me soms afgevraagd wat voor mensen het waren, die zich onder het mom van debat voor een dergelijke exercitie leenden.

In de paarse tijd floreerde in de Tweede Kamer niet alleen het debat niet – je mag wel zeggen dat het bijna verboden was om iets te zeggen dat enig opzien kon baren. Omgekeerd waren bewindslieden ook als de dood dat er iets tegen hen gezegd zou worden. Dan stond de camera van Den Haag Vandaag buiten klaar om de minister, die zojuist met vlag en wimpel de zoveelste motie van wantrouwen van het CDA had overleefd, te vragen: ,,U bent wel beschadigd, hè, meneer X, wat vindt u ervan dat u beschadigd bent?'' Veel zogenaamd politieke sensaties in de paarse tijd, breed uitgemeten in de pers, hadden trouwens betrekking op versprekingen en ongelukkige formuleringen door bewindslieden. Niet op hun standpunten.

Inmiddels werd de saaiheid door de politiek tot opperste wijsheid verheven. De kiezer zat in het midden, betoogden de partijen. Achter deze zogenaamd objectieve, met veel aplomb gebrachte waarneming ging een programma schuil: prettig en onomstreden overkomen, dat wilden de politici graag. Wie is er niet graag alom populair? De eigen afkeer van politieke polemiek werd geacht uitdrukking te zijn van de volkswil. Maar die ging in de dagen voor 15 mei 2002 toch echt even een andere kant op.

Sindsdien is er het een en ander gebeurd in de Nederlandse politiek. De links-rechts-tegenstelling – deze evergreen uit de politieke discussie – is weer terug in de Tweede Kamer. Hoewel het Nederlandse parlement nog ver verwijderd is van geroep en applaus, is er de laatste jaren wel degelijk af en toe sprake van fysieke uitingen van partijgebonden enthousiasme. Ik doel hier vooral op het feit dat de Kamerleden af en toe op de bankjes roffelen. Typerend is wel, dat dit helaas bijna steeds als teken van instemming gebeurt.

Maar misschien is dit het begin. Niet langer ook ligt er een taboe op partijschap, en al helemaal niet bij de huidige premier, die in houding en uitdrukkingswijze duidelijk een representant van het christelijk volksdeel is – ook al zou hij het zelf wellicht anders willen.

De levendigheid van nu is in de Kamer ongelijk verdeeld. Veel komt van de VVD, en in mindere mate het CDA, in het kader van het zogeheten `dualisme' – dat wil zeggen het maximaal gebruikmaken van de ruimte in het regeerakkoord om eigen, gezichtsbepalende standpunten in te nemen ten opzichte van het kabinet. Dat is een groot verschil met Paars, toen elk tegenspreken van het kabinet door Kamerleden van de coalitie taboe was. Als het toch gebeurde, was het meteen een politieke sensatie: Van Gijzel, Oudkerk.

CDA en VVD lijken van plan dit `dualisme' door te zetten. Ik hoorde een vooraanstaand CDA'er van de week zeggen dat de tegenstelling tussen CDA en VVD over Europa, zoals die net was bijgelegd in de vorm van een conflict tussen de ministers Zalm en Bot, vanzelf weer de kop zou opsteken. ,,De twee partijen denken nu eenmaal anders over Europa, daar is het een coalitie voor'', zei hij – niet berustend, maar met een zeker enthousiasme. Zoiets zou in paarse tijden tussen PvdA en VVD ondenkbaar zijn geweest.

Toch is dualisme alleen niet voldoende voor parlementaire levendigheid, vooral niet als over luttele jaren de verkiezingen weer naderen en de coalitiepartners toch sterk de verleiding zullen voelen de nadruk te gaan leggen op hun gezamenlijke successen, in plaats van op wat hen scheidt.

Er is ook een levendige oppositie nodig, die kool noch geit hoeft te sparen. Wat dat betreft is de situatie kommervol. De tweede partij van het land, de PvdA, gedraagt zich nog grotendeels volgens de principes van de paarse vaagheid, in weerwil van de revolutionaire pretentie om op z'n Fortuyns naar ,,het land'' te willen luisteren en alles heel anders te gaan doen. De PvdA van Wouter Bos, en in het bijzonder Bos zelf, legt in de Tweede Kamer, en daarbuiten, een verregaande onwil aan de dag om polemische standpunten in te nemen, of een militante indruk te maken.

Spraakmakende, dramatische oppositie in het hoofdtheater van de politiek moet op deze manier geheel komen van kleinere partijen als de SP, GroenLinks en de ChristenUnie. We zullen zien of voor de PvdA de in 2002 zo katastrofaal afgelopen droom, dat je je het best gedeisd kunt houden in het politieke debat, omdat elk standpunt vervreemdend werkt en de middengroepen vallen voor politici die onomstreden zijn, in 2007 wél succes heeft.

Nee, het zal wel even duren voordat we in de Tweede Kamer worden vergast op gejoel en geklap naar Franse of Duitse snit. Om over vuistgevechten nog maar te zwijgen. Die passen wellicht ook niet zo bij een land waar men zelfs onder vrienden het politieke debat pleegt te mijden, en discussie al vlug uitloopt op een voorzichtige ,,uitwisseling van standpunten''.

Nog altijd kunnen bovendien buitenbeentjes rekenen op collectieve verontwaardiging van collega-Kamerleden, uit naam van vage normen over ,,wat niet kan''. Dat overkwam onlangs Ayaan Hirsi Ali, toen zij betoogde dat Ontwikkelingssamenwerking als beleidsinstrument gefaald heeft. Zij werd in het debat behandeld alsof je met zo'n standpunt wel ongeveer van de planeet Mars afkomstig moest zijn. Haar poging om voor haar standpunt enige intellectuele onderbouwing te verschaffen, werd in de kiem gesmoord. Dat doen wij niet in deze zaal. Van de week nog riep GroenLinks-Kamerlid Vendrik enthousiast ,,daar is het gat van de deur'' in een debat over de WAO, toen zijn CDA-collega aan het nut van het debat twijfelde. ,,Doet u toch eens rustig'', zei de Kamervoorzitter daarop ontsteld.

Collectieve attitudes als het streven naar een zekere ingetogenheid in het debat, zelfbeheersing in het algemeen, of het streven naar consensus hebben een lange geschiedenis, die je niet zo makkelijk doorbreekt. Dat hoeft ook niet per se: zulke strevingen zijn niet van zichzelf slecht.

Maar evenmin zijn ze heilig: er breekt echt geen burgeroorlog uit in Nederland wanneer Kamerleden elkaar te vuur en te zwaard bestrijden. Integendeel: de politieke oorlog die, volgens bepaalde regels, openlijk in de parlementaire arena wordt uitgevochten, kan de oorlog in de straten juist voorkomen. Dat is nu juist een van de traditionele doelstellingen van dat hele moeizame parlementaire bedrijf, die Nederlandse politici – met hun wensdromen van een Nederland dat áf is en van het verdwijnen van alle klassen-, etnische en andere tegenstellingen – steeds maar uit het oog dreigen te verliezen. Politiek is meer dan besturen.

Het lijkt me evident dat, ter wille van de toekomst van de democratie, de Tweede Kamer alles op alles moet zetten om in de komende jaren niet weer te verworden tot een voor de burger ondoorgrondelijk, intens saai gezelschap. Voor dat doel is veel geoorloofd.

,,Koffie of thee?'' ,,Doet u mij maar een glaasje fris.''

Redacteur van NRC Handelsblad, werkzaam bij de politieke redactie. Hij was eerder onder meer correspondent in Moskou en verslaggever in het buitenland.