Een wolf om me de wolven van het lijf te houden

In april 1945 begint een vrouw een dagboek over het alledaagse leven in Berlijn waar de Russen heersen. Ze beschrijft wat miljoenen vrouwen in oorlogstijd moeten meemaken: ellende, honger en verkrachtingen. In Duitsland was de publicatie van haar dagboek omstreden. De schrijfster is altijd anoniem gebleven. Een voorpublicatie uit de Nederlandse vertaling.

`Ja, de oorlog dendert op Berlijn af. Wat gisteren nog gerommel in de verte was, is vandaag aan houdend trommelvuur. Je ademt kanongebulder in. Je oren worden doof, je hoort alleen nog de zwaarste schoten.' Zo begint een jonge, Duitse vrouw van ongeveer dertig, haar dagboek op 20 april 1945. Ze schrijft over haar belevenissen in Berlijn, dat langzaam door de Russen veroverd wordt in 1945. Ze is bereisd - ze spreekt een mondje Russisch, wat haar goed van pas komt - en is belezen, blijkt uit haar aantekeningen. Voor de geallieerden Hitlers hoofdstad lam legden, werkte bij een uitgeverij. In haar dagboek doet de jonge vrouw openhartig en zonder zelfbeklag verslag van het alledaagse leven in extreme omstandigheden: over het overleven in de puinhopen van de gebombardeerde stad, al of niet in de schuilkelder, over de honger, over de angst en de systematische massaverkrachtingen.

Mede omdat de vrouw, die anoniem wilde blijven, daarover openhartig schreef, is het boek vlak na publicatie in Duitsland - pas in 1959 - omstreden geworden. (Zie kader). `Anoniem' schrijft haar dagboek, dat ondanks alle ellende soms ook humoristisch en ironisch is, mede voor haar vriend Gerd, die aan het Oostfront is. Als ze met de aantekeningen begint, woont de schrijfster beurtelings in een verlaten zolderkamer en een schuilkelder. Haar eigen huis is kapotgebombardeerd. De Russen zijn in aantocht, en het `normale leven' komt tot stilstand. Er is geen eten en geen stroom meer: `alle verworvenheden van de moderne tijd: zinloze ballast als de centrale het laat afweten. We vallen op het moment eeuwen terug in de tijd. Holbewoners', schrijft ze op de eerste dag. Hoe het vrouwen in de wereld van de holbewoners vergaat als Russische soldaten arriveren, die zich aan geen enkele regel houden, ook niet die van Stalin, is te lezen in de drie onderstaande fragmenten:

DE EERSTE RUSSEN

27 APRIL 1945: Op de rijbaan rijden verschillende Russen op zojuist gejatte fietsen. Ze leren elkaar fietsen, zitten even stijf in het zadel als de fietsende chimpansee Susi in de dierentuin, botsen tegen bomen en slaken vrolijke kreten.

Ik merk hoe de angst enigszins wegebt. Uiteindelijk zijn Russen toch ook maar mannen, die je met vrouwelijke maniertjes, met listen en trucjes kunt manipuleren, die je aan het lijntje kunt houden, kunt afeiden en afwimpelen.

Overal staan paarden op de stoep, ze schijten en klateren.

Sterke stallucht. Twee soldaten willen van mij weten waar de dichtstbijzijnde pomp is – de paarden hebben dorst. Samen lopen we er door de tuinen heen, een tocht van een kwartier. Vriendelijke toon, goedmoedige gezichten. Voor het eerst hoorde ik de vragen die later steeds terugkwamen: `Heeft u een man?' Als je ja zegt vragen ze waar hij is. Bij een nee komt meteen de vraag of je niet met een Rus wil `trouwen'. Waarop onbeholpen geflirt volgt. In het begin zeiden ze allebei jij tegen me. Ik zei dat ik dat niet wilde, dat ik dat bij hen toch ook niet deed. We liepen over de verlaten groene weg. Granaten van de artillerie vlogen in een boog over ons heen. De Duitse frontlinie ligt tien minuten verder. Geen Duits vliegtuig meer te zien, het Duitse luchtafweergeschut hoor je nauwelijks nog. Geen leidingwater meer, geen stroom, geen gas, helemaal niets. Alleen Ivans.

Terug met de emmers water. De paarden drinken. Tevreden kijken de beide soldaten toe. Ik slenter wat rond, maak een praatje met deze en gene Rus. De middag vordert, de zon brandt nu bijna zomers fel. Ik bespeur iets vreemds in de lucht, iets ongrijpbaars, onaangenaam en dreigend.

Sommige mannen kijken zo schichtig langs me heen, wisselen blikken uit. Een van hen, een jonge kerel, klein en geel, met een kegel, knoopt een gesprek aan, wil me meelokken een binnenplaats op, wijst op twee horloges aan zijn harige onderarm, waarvan hij me er een wil geven, als ik met hem meega.

Ik ontwijk hem, ga de gang naar de kelder in, sluip de binnenplaats over, denk al dat ik hem heb afgeschud als hij plotseling naast me staat en mee naar binnen glipt onze kelder in. Steunzoekend tegen de balken gaat hij met een zaklantaarn de gezichten in de kelder langs, een stuk of veertig, laat de lichtbundel op vrouwengezichten rusten, zijn hand beeft. De kelder bevriest. Alle mensen lijken te verstijven. Niemand beweegt, niemand zegt iets. Je hoort onderdrukt ademhalen. Nu stopt de lichtbundel bij het achttienjarige meisje, bij Stinchen met het wit oplichtende verband om haar hoofd, die in een ligstoel ligt. Dreigend vraagt de Rus in het Duits, wijzend op het meisje: `Hoeveel jaar?' Niemand antwoordt. Het meisje ligt er als versteend bij. De Rus brult nog een keer, schor en woedend: `Hoeveel jaar?'

Ik antwoord haastig in het Russisch: `Dat is een studente, ze is achttien.' Ik wil nog zeggen dat ze een hoofdwond heeft, vind de woorden niet en red me eruit met het internationale woord kaputt: 'Hoofd kaputt, door bommen.'

[...]

ANATOL

28 APRIL 1945: Een van de twee (Russen) grijpt me vast, drijft me de voorkamer in, nadat hij de weduwe opzijgeduwd heeft. De ander stelt zich bij de voordeur op, houdt de weduwe in bedwang, zwijgend, dreigend met het geweer, zonder haar aan te raken.

Het is een oudere man met grijze baardstoppels die me voor zich uit duwt, hij ruikt naar drank en paarden. Trekt de deur stevig achter zich dicht en schuift, als hij geen sleutel in het slot vindt, de hoge leunstoel tegen het deurpaneel.

Hij lijkt zijn prooi niet eens te zien. Des te angstaanjagender is de duw waarmee hij die op het bed gooit. Ogen dicht, tanden stevig op elkaar. Geen geluid. Alleen als mijn ondergoed scheurt, knars ik onwillekeurig met mijn tanden. Het laatste stel dat nog heel was.

Opeens vingers bij mijn mond, stank van paarden en tabak. Ik sper mijn ogen open. Handig wrikken de vreemde handen mijn kaken van elkaar. Oog in oog. Dan laat de man boven me bedachtzaam het in zijn mond opgespaarde spuug in mijn mond vallen.

Ik verstijf. Geen walging, alleen gevoelloosheid. Mijn ruggengraat bevriest, ijzige duizelingen in mijn achterhoofd. Ik voel hoe ik wegglijd en val, diep, door de kussens en de vloerplanken heen. Door de grond zinken – zo voelt dat dus.

Weer oog in oog. De vreemde lippen gaan open, gele tanden, een half afgebroken voortand. De mondhoeken gaan omhoog, naast de spleetogen komen rimpeltjes. De man glimlacht. Hij diept, voor hij gaat, iets uit zijn broekzak op, smijt het zwijgend op het nachtkastje, schuift de leunstoel opzij, slaat de deur achter zich dicht. Wat hij heeft achtergelaten: een verfrommeld pakje met een paar papirosy [Russische sigaretten] erin. Mijn loon.

Duizelig toen ik opstond, braakneigingen. De vodden vielen op mijn voeten. Ik strompelde de gang door, langs de snikkende weduwe, naar de badkamer. Braken. Het groene gezicht in de spiegel, het braaksel in de kuip. Ik ging op de rand van het bad zitten, durfde het niet weg te spoelen, want moest steeds opnieuw kokhalzen, en er was zo weinig water in de spoelemmer.

Zei toen hardop: Verdomme! en nam een besluit.

Het is zonneklaar: hier is een wolf nodig om me de andere wolven van het lijf te houden. Officier, commandant, generaal, zo hoog mogelijk, wat ik krijgen kan. Waar heb ik mijn verstand en mijn beetje kennis van de taal van de vijand anders voor?

Zodra ik weer kon lopen, nam ik een emmer en ging naar beneden, de straat op. Slenterde heen en weer, speurde de binnenplaatsen af, keek goed om me heen, ging weer terug naar het trappenhuis, hield me paraat. Ik dacht na over zinnen waarmee ik een officier zou kunnen aanspreken, vroeg me af of ik er niet te groen en miserabel uitzag om in de smaak te vallen. Voelde me lichamelijk weer beter nu ik iets deed, iets van plan was en wilde, niet meer alleen een monddood slachtoffer was.

Een halfuur lang niets, dat wil zeggen geen sterren. Ik ken hun onderscheidingstekens en rangen niet, weet alleen dat officieren sterren op hun petten hebben en meestal overjassen aan. Maar ik zag alleen maar soldatenvolk en grove kerels. Wilde het al opgeven voor die dag, klopte al op onze voordeur, toen de deur van de woning hiertegenover, die van een tijdig gevluchte huisbewoner is, openging. Een militair met sterren. Groot, zwarte krullen, weldoorvoed.

Als hij mij met de emmer ziet, lacht hij naar me, zegt in gebroken Duits: `Jij – vrouw?' Ik lach terug, stort mijn beste Russisch over hem uit. Hij is enthousiast zijn taal te horen. We praten wat, maken grapjes, schertsen, waarbij ik uitvind dat hij eerste luitenant is. Ten slotte maken we een afspraak voor vanavond, 19 uur, in de woning van de weduwe. Tot die tijd heeft hij dienst. Hij heet Anatol zus-en-zo, is Oekraïener.

`Komt u echt?'

Hij, verwijtend: `Maar natuurlijk, zo snel ik kan.'

[...]

TEDER

1 MEI 1945: `Hij komt dichterbij, schuift een stoel naast het bed. Wat wil hij? Weer een conversatie voeren die zo uit een etiquetteboekje komt, zie onder `Verkrachting van vijandelijke jongedames?' Nee maar, hij wil laten zien wie hij is, hij diept allerlei papieren op uit zijn binnenzakken, spreidt ze voor me uit op het dekbed, schuift de kaars dichterbij zodat ik het goed zie. Dit is de eerste Rus die zich zo volledig blootgeeft. Ik weet nu hoe hij heet, wanneer hij geboren is en waar, weet zelfs hoeveel hij bezit, want bij zijn papieren zit ook een spaarbankboekje van de stad Leningrad, waarop ruim 4.000 roebel staan. Dan raapt hij zijn papierwinkel weer bijeen. Hij spreekt verzorgd Russisch, wat ik, als altijd, afleid uit het feit dat ik hele zinnen niet begrijp. Hij lijkt belezen, muzikaal, doet vreselijk zijn best zich ook nu gentlemanlike te gedragen. Springt opeens op, vraagt zenuwachtig: `Ben ik u tot last? Verafschuwt u mij? U kunt eerlijk zijn!'

`Nee, nee.' Nee, echt niet, je bent werkelijk goed zoals je bent. Ik kan alleen even niet zo snel met de situatie overweg. Ik heb het afschuwelijke gevoel dat ik van hand tot hand ga, voel me vernederd en beledigd, tot lustobject teruggebracht.

Dan weer de overweging: En als het nu eens waar was dat Anatol weg is? Als mijn met zoveel moeite verworven onschendbaarheid, die muur, me weer afgenomen was? Zou het niet goed zijn voor een nieuwe, misschien duurzamer onschendbaarheid te zorgen, een nieuwe muur om me heen te bouwen?

Nu heeft de majoor zijn koppelriem afgelegd, zijn jasje uitgedaan, alles zeer traag en met een steelse blik op mij. Ik zit, wacht, voel het zweet in mijn handpalmen, ik wil hem per se niet verder helpen. Tot hij plotseling zegt: `Alstublieft, geeft u mij uw hand.'

Ik staar hem aan. Wil hij mij vrij naar het etiquetteboek met een handkus verblijden? Of is hij een handlezer? Hij pakt mijn hand al, houdt hem stevig tussen zijn beide handen en zegt met trillende mond en een smartelijke blik in zijn ogen: `Vergeeft u mij. Ik heb al zo lang geen vrouw meer gehad.'

Dat is te veel voor me. Daar lig ik al met mijn gezicht op zijn knieën en huil en snik het uit van ellende en verdriet. Ik voel hoe hij over mijn haar streelt. Dan een geluid bij de deur, we kijken beiden op. In de deuropening staat, de kaars in haar hand, de weduwe en vraagt angstig wat er met me aan de hand is. De majoor en ik maken beiden een afwerend gebaar, ze ziet ook wel dat me geen kwaad gedaan wordt, ik hoor de deur weer dichtvallen.

Even later en in het donker heb ik hem verteld hoe ellendig en kapot ik was en dat hij voorzichtig moest zijn. Hij was voorzichtig en woordeloos teder, liet me gauw met rust, liet me slapen.

Dat was mijn dinsdag 1 mei.'

Het boek `Een vrouw in Berlijn, Dagboekaantekeningen van april tot juni 1945' verschijnt volgende week bij uitgeverij Cossee in de vertaling van Froukje Slofstra.

Cox Habbema heeft een korte theatermonoloog gemaakt van `Een vrouw in Berlijn' waarmee ze in diverse boekhandels optreedt. De première, tevens presentatie van het boek, is dinsdag 27 jan, 20u, Stadsschouwburg, Amsterdam. Van de theatermonoloog `Een vrouw in Berlijn' van Habbema verschijnt ook een luisterboek bij uitgeverij Rubinstein.

Gerectificeerd

Een vrouw in Berlijn

Het artikel Een wolf om me de wolven van het lijf te houden (24 januari, pagina 53) wekt de indruk dat het boek Eine Frau in Berlin voor het eerst in het Nederlands wordt uitgegeven. In 1957 verscheen de eerste Nederlandse vertaling bij uitgeverij Sijthoff. De schrijfster bepaalde na de publicatie daarvan dat het boek tijdens haar leven niet mocht worden herdrukt.