Cultureel opgevoed

Eigenlijk is het raar. Als je naar de opera, een concert, een toneelstuk of een tentoonstelling gaat, zie je vooral veel oudere mensen, maar het onderzoek naar cultuurparticipatie gaat alleen over jonge mensen. Dat is ook in het proefschrift van Ineke Nagel zo. Niks levensloop, het gaat om de eerste 35 jaar. Daarna houdt het niet op, maar boven die leeftijd is niemand van jongs af aan systematisch gevolgd in zijn of haar culturele ontwikkeling. Dat wijst er al op dat we hier kennelijk met een nog relatief nieuw onderzoeksgebied te maken hebben. Dat is ook zo, cultuurparticipatie-onderzoek is iets van de laatste 25 jaar. De belangrijkste opdrachtgever was en is de minister of staatssecretaris van Cultuur, die ook altijd de opdracht tot verheffing van het volk in de portefeuille heeft. Toneel, muziek, beeldende kunst en literatuur horen tot de meest waardevolle goederen die een samenleving heeft , maar ze zijn zeer ongelijkmatig over de bevolking verdeeld. Hoger opgeleiden en beter gesitueerden vormen traditioneel het publiek.

Het cultuurbeleid van de overheid is er wat het publiek betreft dan ook op gericht het allemaal wat minder elitair te maken en de hier nog in hoge mate aanwezige sociale ongelijkheid op te heffen. Het onderwijs speelt daar een belangrijke rol bij en natuurlijk ook voorzieningen als de CJP-pas, die entree biedt tot de musea en toneel-en muziekvoorstellingen voor jongeren betaalbaar maakt. Ik zat veertig jaar geleden dankzij de CJP-pas al voor ƒ1,25 op de beste plaatsen in de schouwburg, maar zo mooi zal het nu wel niet meer zijn. Veel leeftijdgenootjes zag je overigens toen niet in de schouwburg en wat dat betreft lijkt er niet zoveel veranderd.

Op zichzelf is het met de belangstelling voor `hoge cultuur' helemaal niet zo slecht gesteld, maar als het doel is meer lagen van de bevolking en dat ook nog in grote aantallen tot publiek van dat aanbod te maken, is er nog een lange weg te gaan. Het lijkt zelfs wel of de weg eerder langer dan korter aan het worden is, want de enorme stijging van het opleidingsniveau van de bevolking en ook van de welvaart heeft niet tot een navenante stijging van de belangstelling voor `hoge cultuur' geleid. Nu is de vergelijking met het verleden op juist dit gebied wel erg moeilijk. Er woedt een ware concurrentieslag om de vrije tijd en ook voor wie zijn huis niet uit wil is het mogelijk om via cd en video van de mooiste muziek en de beste films te genieten. Niettemin, hoewel de actieve cultuurdeelname van mensen met een hoge opleiding en een behoorlijk inkomen tegenvalt, komt het publiek in schouwburgen en concertzalen toch nog altijd vooral uit deze groepen voort. Wel als ze wat ouder zijn.

In het sociologische onderzoek naar cultuurdeelname is lang gedacht dat de hoogte van de schoolopleiding de belangrijkste verklarende factor vormde. Geleidelijk aan is steeds duidelijker geworden dat het zo simpel toch niet ligt. De invloed van de ouders is misschien wel belangrijker, maar ook de partner blijkt een niet te veronachtzamen rol te spelen. Vrouwen zijn de dragers van de cultuur, zij lezen meer en zij nemen hun man mee naar de schouwburg. Ineke Nagel heeft nu geprobeerd meer greep te krijgen op de samenhang tussen deze factoren en ook hun onderlinge verhouding in vooral de jeugd en de adolescentie nader te bepalen. Dat klinkt eenvoudig, maar methodologisch was dat heel lastig, omdat er geen longitudinaal onderzoek beschikbaar is dat kinderen vanaf hun vroegste jeugd `cultureel' volgt. Ze heeft wat er aan onderzoek lag, op een inventieve manier met elkaar verbonden en is er zelfs in geslaagd het culturele klimaat van bijna 1000 gezinnen achteraf in kaart te brengen.

Statistische hoogstandjes zorgen er vervolgens voor dat wat zo op het eerste gezicht het geval lijkt te zijn, ook behoorlijk getoetst wordt op houdbaarheid.

Wat komt er nu uit dit onderzoek? De belangrijkste conclusie is misschien toch wel, dat cultuurdeelname op latere leeftijd sterk afhankelijk is van een vroege kennismaking met kunst en cultuur. De kans daarop is groter, wanneer de ouders zelf ook naar schouwburg en museum gaan en de kinderen daar mee naar toe nemen. De school werkt dan vooral als een versteviger van een vertrouwdheid die van huis uit al bestaat. Grappig is wel dat voor bijna alle kinderen de cultuurdeelname begint in de bioscoop en dan al voor het tiende jaar (dat zal dus wel veel Pietje Bell en `Finding Nemo' zijn) . Museum en theater komen daarna en nog weer veel later klassieke muziek. In het voortgezet onderwijs neemt de school de taak van de ouders ten dele over, maar voor een deel van de kinderen is het de school die het eerste contact met kunst en cultuur tot stand brengt.

In de adolescentiefase neemt – uiteraard – de afstand tussen ouders en kinderen wat toe, ook op cultureel gebied. Jongeren uit cultureel actieve gezinnen worden wat minder actief, hun leeftijdgenootjes uit cultureel niet-actieve gezinnen worden juist wat enthousiaster. Alles bijeen blijft het patroon echter vrij constant: de beste kans op blijvend actieve cultuurdeelname bestaat bij degenen die al vroeg deel hebben gehad aan de actieve deelname aan cultuur van hun ouders. De kans dat die ouders ook een hogere opleiding hebben genoten, is naar verhouding ook weer groter en hun kinderen hebben ook zelf weer meer kans een hogere opleiding te kunnen volgen. En, ach ja, hun kans om ook weer een huwelijkspartner te vinden met dezelfde achtergrond en belangstelling, is ook weer relatief groot. Geld speelt bij dit alles niet zo'n grote rol, behalve dan bij weliswaar zwaar gesubsidieerde, maar toch ook per kaartje dure operavoorstellingen.

Het is met cultuurparticipatie kennelijk zoals met religieuze participatie. Wie gelovig is opgevoed, blijft als volwassene niet noodzakelijkerwijze zelf ook lid van het kerkgenootschap van zijn ouders. De kans dat men toch voor dezelfde kerk blijft kiezen, is echter oneindig veel groter dan de kans dat iemand zonder gelovige achtergrond zich als volwassene alsnog zal bekeren. Als dat gebeurt, zijn het vaak wel de meest felle gelovigen. Hier gaat het sociologische verklaringsmodel over in een psychologisch verklaringsmodel, dat zich bezighoudt met vragen van individuele affiniteit en betrokkenheid.

Ineke Nagel, Cultuurdeelname in de levensloop. 195 blz. Universiteit Utrecht, 21 januari 2004. Promotores: Prof.dr. H.B.G. Ganzeboom, Prof.dr. T.A.B. Snijders