Commissie Blok moest teleurstellen

Het is de schuld van de Tweede Kamer zelf dat de parlementaire onderzoekscommissie Blok over het integratiebeleid haar teleurstelde, vinden de hoogleraren J.Peters en H.Kummeling.

Wat er mis is gegaan, zegt Peters (hoogleraar staats- en bestuursrecht, Universiteit van Amsterdam), is dat het een onderzoek was van ,,politici die politici onderzoeken''. Eerdere parlementaire enquêtes en onderzoeken hadden vooral het falen van de overheid als bestuur of uitvoeringsinstanties tot onderwerp. Nu moest de commissie vooral het denken van politici over integratie zelf onderderzoeken, terwijl zich tegelijk een ,,enorme omslag'' in dat denken voltrok.

Het is bijna een ,,fundamentele weeffout'', meent Kummeling (hoogleraar staats- en bestuursrecht, Universiteit van Utrecht), te denken dat een onderzoekscommissie tot een politieke opvatting kan komen, bijvoorbeeld dat de integratie is mislukt. ,,Daar is zo'n onderzoek ook helemaal niet voor.'' Een parlementair onderzoek moet dienen tot waarheidsvinding en het trekken van lessen voor de toekomst. En het moet, vindt Kummeling, alleen worden ingezet als de Kamer vindt dat zij op de `normale manier' – via vragen, debat, hoorzittingen – niet aan de gewenste informatie kan komen.

Nu had dat wel gekund. De Kamer, zeggen Peters en Kummeling, heeft er verkeerd aan gedaan het onderzoek naar het integratiebeleid door parlementariërs zelf te laten uitvoeren. Deskundigen van buiten het parlement hadden de concrete effecten van beleid moeiteloos een op een rijtje kunnen zetten. ,,De Kamer is geen onderzoeksbureau'', zegt Kummeling. ,,Kamerleden zijn niet gekozen om hun bekwaamheid tot onderzoek,'' vindt Peters.

De kritiek van de twee hoogleraren werpt haar schaduw vooruit. Maandag treden zij op tijdens een symposium dat de Tweede Kamer en het ministerie van Binnenlandse Zaken organiseren over de wet op de parlementaire enquête, die 150 jaar oud is. Kamervoorzitter Weisglas en minister De Graaf (Bestuurlijke Vernieuwing) willen horen of de tijd rijp is voor een nieuwe wet. Kummeling en Peters bepleiten beiden een nieuwe Wet op het Parlementair Onderzoek. Nu worden parlementaire onderzoeken niet door de wet geregeld, maar door afspraken tussen Kamer en Binnenlandse Zaken. Het belangrijkste verschil is dat getuigen tijdens enquêtes onder ede verhoord worden en verplicht zijn te komen, op straffe van gijzeling. Bij onderzoeken beslissen bewindslieden welke ambtenaren gehoord kunnen worden en onder welke condities. Maar verder is in de praktijk het onderscheid tussen enquête en onderzoek ,,flinterdun'', zegt Kummeling. ,,Door de grote aandacht van media staan getuigen ook bij een parlementair onderzoek onder grote druk.''

De Tweede Kamer houdt van onderzoek en enquête. Vorig jaar waren er twee enquêtes – over Srebrenica en de bouwfraude – nu is een recordaantal van drie tijdelijke parlementaire onderzoekscommissies gelijktijdig aan het werk. De commissie Infrastructuurprojecten onderzoekt onder leiding van Kamerlid Duivesteijn (PvdA) sinds november de kosten van grote projecten als de Betuwelijn en de hogesnelheidslijn. De commissie-Mosterd (CDA) komt naar verwachting dit voorjaar met haar rapport over de uitgaven voor de zorg. De integratiecommissie is nu in de fase van politieke afhandeling.

Maar de graad van tevredenheid neemt haast per onderzoek af. Recente onderzoeken, naar de biotechnologie (2001) en de Herculesramp (2000) maakten weinig indruk. De parlementaire enquêtes naar Srebrenica (vorig jaar) en de vliegramp in de Bijlmer (1999) kregen veel kritiek. De enquête bouwnijverheid legde vorig jaar wel het systeem van vooroverleg en prijsafspraken in de bouwwereld bloot, maar of de gewenste `cultuuromslag' zich voltrekt, is nog altijd de vraag, zo lieten ex-commissievoorzitter Vos en minister Brinkhorst (Economische Zaken) deze week nog merken.

Eerdere enquêtes en onderzoeken gaven wel een beslissende wending aan het denken over grote maatschappelijke onderwerpen. Zo leidde de IRT-enquête (1994) tot nieuwe grenzen in het opsporingsbeleid, en de enquête over de sociale zekerheid in 1992-1993 tot een halt aan de uitvoerende rol van de sociale partners. Steeds sloten ze aan bij de eerste grote naoorlogse enquête (afgezien van de negenjarige enquête over het regeringsbeleid in de oorlogsjaren die tot 1956 duurde): de RSV-enquête in 1983-1984. Die veranderde het denken over overheidsteun aan het bedrijfsleven, én betekende de herontdekking door de Kamer van het eigen onderzoek als controlemiddel.

Kummeling ziet een verband tussen het integratieonderzoek en andere niet zo geslaagde onderzoeken: net als de Bijlmerenquête en de Srebrenica-enquête diende het integratie-onderzoek een ander doel dan waar het om zou moeten gaan, namelijk informatie verzamelen waar de Kamer op `normale manier' niet aan denkt te kunnen komen. ,,Als de Kamer het middel om andere redenen inzet, zit de teleurstelling ingebakken'', zegt hij. De Srebrenica-enquête was ,,vooral symbolisch'', omdat het kabinet Kok II al was afgetreden om het eerdere NIOD-rapport over de val van de moslimenclave. De Bijlmerenquête was vooral bedoeld ,,om maatschappelijk onrust weg te nemen''. Ook met het integratieonderzoek had de Kamer andere bedoelingen dan onderzoek, zo leidt Kummeling bijvoorbeeld af uit de ,,roadshow'' waarmee de commissie rondreisde langs ,,verhitte zaaltjes'' in het land. Die dienden volgens hem niet het onderzoek, maar waren vooral om de interesse van het parlement te laten zien.

Kummeling en Peters vinden beiden dat de Kamer daarom zorgvuldiger haar onderzoeken moet kiezen. Peters bepleit dat Kamerleden vaker onderzoek uitbesteden aan deskundigen van buiten de Kamer. Ook zou af en toe één Kamerlid als rapporteur experts kunnen raadplegen namens een Kamercommissie, en zou de Kamer in reguliere zitting makkelijker ambtenaren moeten kunnen horen. Door meer van dergelijk vooronderzoek hoeven enquêtes minder vaak voor te komen. Daarnaast hekelt Kummeling de status van de getuigenverklaringen. Getuigen kunnen zonder te mogen weigeren ,,de strop leveren waarmee ze straks bij de rechter worden opgehangen''.