Chagrijnige goden

We leven door te herhalen. Alles proberen we te herhalen, door dingen te herademen, te herschrijven, door ons dingen te herinneren. In dit proces brengt de mens steeds, onvermijdelijk, distantie aan tussen het ik en zichzelf, tussen het `ik' van degene die nu iets doet en de `mezelf' waar ik in mijn herinnering naar kijk.

Daarom verlies ik zo nu en dan mezelf. Onderweg naar een bestemming raak ik in gesprek met het verleden. Dan capituleert mijn hoofd en word ik beheerst door het onbekende. Door die verdubbeling in ik en mezelf jaag ik dwars door de vergetelheid en herinneringen naar andere tijden waarin ik, nog samen met mijn vader, op het strand naar de horizon staarde. Alleen de komst van een mooi meisje in bikini kon de aanblik van de horizon verstoren. Weldra kwam er een Lolita aan. En vader zei, zonder mij aan te kijken: ,,Prachtig, de rest is secundair!'' Jaknikkend, met het besef dat zijn innerlijke ogen alles konden zien, zei ik: ,,Mooi is onze leven.'' Hij zuchtte diep, alsof hij in één adem zijn en mijn leven wilde oprollen en wegblazen naar die lijn, de grens waarachter een andere wereld opduikt. De wereld van ons verlangen naar het onbekende, naar het schone ook. En die zucht? Wat zou dat zijn? Alleen maar een uiting van een ongelukkig leven? Neen. Die zucht was een teken van zijnsvermoeidheid.

De term `zijnsvermoeidheid' gebruik ik op basis van het werk van de Frans-joodse filosoof Emmanuel Levinas. Hij schrijft: ,,Er bestaat een vermoeidheid die moe is van alles en iedereen, maar vooral moe van zichzelf.'' Wat moe maakt, is dan volgens Levinas niet een bepaalde vorm van ons leven, onze omgeving, of het feit dat het leven banaal, vulgair, hard of somber kan zijn. De moeheid is in de ogen van Levinas een weigering, een afwijzing van de plicht. De plicht van de mens, de onontkoombare noodzaak tot handelen en ondernemen: ,,het moet''. Die plicht spruit voort uit de ethiek. Het onbekende wat ons tot handelen oproept, is het risicovolle avontuur dat we de mens noemen.

Door de melancholie de viering van de Iraanse revolutie komt steeds dichterbij ontvlamt in mij een verlangen naar het kind-zijn. Ik verlang naar de herhaling: een zonnige namiddag, vader komt naar de patio en neemt mij mee naar de bioscoop. Dat was onze onbetwistbare kathedraal, en het was voor ons zelfs verhevener dan de kubus van Mekka. In de bioscoop werd de plicht verdrongen door de verbeeldingskracht. Het moeten werd het aanschouwen. De bioscoop was een plaats voor zijnsvermoeidheid, een ruimte waar je kon kijken zonder te hoeven handelen.

Dit was nog vóór de islamitische revolutie. Nu de melancholie meedogenloos toeslaat, wil ik mijn hoofd neerleggen op een vrouw, op haar woorden, op haar magische zeggingskracht:

Ik herhaal je

zonder begin of einde

herhaal ik jouw lichaam.

De dag kent een smalle schaduw

en de nacht gele kruisen

het landschap is zonder aanzien

en het mensendom een rij kaarsen

terwijl ik jou herhaal

met mijn borsten

die de holtes van jouw handen imiteren.

Dit gedicht is geschreven door de Zuid-Afrikaanse dichter Ingrid Jonker, één van de grote dichteressen uit de twintigste eeuw. Zij verenigt zich met de ander en verwijdert daar zich onmiddellijk weer van. Ook ik zie de mensen als een rij van kaarsen zonder begin of einde. Jammer genoeg zijn mijn kaarsen, bijna allemaal, reeds vroegtijdig gedoofd. Ik zou dit gedicht ooit willen voordragen op het graf van mijn vader. Heeft hij, in die andere wereld, Nederlands geleerd?

Iedereen over wie ik droom, spreekt Nederlands. Ook over de profeet Mohammed droom ik ook soms, maar hij spreekt nog steeds alleen Arabisch of Perzisch op de Olympus vormen Mohammed en Allah een soort allochtonenfront te midden van alle goden. Deze sukkels, die zo gebrand zijn op het behoud van hun eigen cultuur, weigeren zich bloot te stellen aan de verbeeldingskracht van het rijk der goden. Hun houding is domweg ook te wijten aan het feit dat ze niet willen toegeven aan hun zijnsvermoeidheid. Niet alleen voor mensen, maar ook voor goden is het goed af en toe even `plicht' te vergeten en simpel ,,hun schepping te aanschouwen''. In mijn dromen vraag ik weleens aan deze heren: Waarom laten jullie de mensheid niet met rust? Ga ergens anders heen. Als jullie er niet meer zijn, pleegt hopelijk de umma, de gemeenschap der moslims, minder mensenrechtenschendingen. En wij mogen misschien toegeven aan onze zijnsvermoeidheid door naar een horizon te staren waarop Lolita of Papillon worden gedraaid.

De ongezeglijke goden. Van tijd tot tijd moeten we zelf de balsturige goden gaan verbannen. Goedschiks of kwaadschiks, weg met de chagrijnige goden en profeten! Dan zullen de mensen, hoe kortstondig dan ook, niet langer een rij van gedoofde kaarsen zijn. Toch geeft Mohammed, in mijn dromen, geen antwoord. Hij reciteert slechts uit zijn eigen boek: ,,En er zijn gezellinnen met sprekende grote ogen, die als welbewaarde parels zijn. [...] Te midden van lotusbomen zonder doornen zijn zij, en opeengepakte bananen, uitgestrekte schaduw [...]. En Wij hebben haar tot maagden gemaakt, als vurig beminnende even oude gezellinnen.''

Ik wil geen bananen noch die maagden, ik wil gewoon dat Uwe hoogheid welwillend toegeeft aan de zijnsvermoeidheid.