Zinsbegoochelingstoestellen

De leraar liet de Pastorale van Beethoven horen en vroeg de leerlingen waar de muziek hen aan deed denken. `Aan een onweer in een groot bos.' Meester knikte instemmend en zei: `Uitstekend. En jij daar, Jan?' Jan zei: `Aan Marieke van de bakker, meester.' `Hoe dat zo?', vroeg meester. `Ik denk altijd aan Marieke van de bakker, meester.' Ik las deze grap in de essaybundel Over Marieke van de bakker van Herman de Coninck, verschenen in 1987. Sindsdien denk ik er minstens één keer per dag aan. Waarom? Ik voelde me betrapt, want zo, zoals Jan deed, doe ik het ook vaak, als ik in mijn denkbeeldige schoolbank zit te lezen of te luisteren: onbekommerd dagdromen, en mijn eigen verliefde gedachten volgen, ook al weet ik inmiddels dat het van de wetenschap en de leespolitie zo helemaal niet mag.

Herman de Coninck gebruikte de anekdote over Jan om te laten zien hoe een slecht gedicht in elkaar zit. Een slecht gedicht is als Jan: met maar één onderwerp en dat ene onderwerp als enige doel. Bij een goed gedicht zou het omgekeerd zijn: daar is het onderwerp alleen maar een middel om van het concrete naar het abstracte te komen – en daar gaat het blijkbaar om. Een gedicht of een symfonie mag van Herman de Coninck wel over Marieke van de bakker gaan, `als het gedicht daardoor ook maar iets zegt over alle vrouwen ter wereld.' Het klinkt wijs, en nuttig, en je leest het ook altijd in de schoolboeken, maar zou het eigenlijk wel waar zijn? In het geheim neem ik het stiekem nog steeds op voor de onbevangen instelling van de verliefde Jan: Marieke is de wereld, en de wereld is Marieke en de rest komt later wel.

Ik moest weer aan Jan denken toen ik op een Open Atelier-dag in Amsterdam-Oost in een klein atelier belandde. Er stonden miraculeuze objecten, met een mooie snit en sierlijk van vorm, gemaakt van fijnbewerkt hout en messing en glas, met raadselachtige functies. Er was een soort rolbaan, horizontaal, met een bergkristallen bal erop die langzaam stilviel en opeens razendsnel een houten valliftje in werking stelde dat naar boven schoot en daar vrolijk ratelend een houten bloemknop deed openspringen waarbinnen metalen stampertjes driftig begonnen rond te draaien – als ik het in de gauwigheid tenminste allemaal goed gezien heb. Geraffineerd, wonderlijk, geheimzinnig. Ik zag ook een opwindwiel met glaskogeltje, en een theeschenkmachine, van hout en doorzichtig, waarin een theepot werd geplaatst die via oogstrelende hefboomklapratelmechanieken en spanningsdraden in de noodzakelijke achtereenvolgende uitschenkstanden werd gebracht. Toverapparaten waren het, zinsbegoochelingstoestellen.

Ze waren gemaakt door Mark Bischof (1958). Het grootste deel van zijn atelier werd in beslag genomen door een machtig grote onbestemde machine. Ik zag allerlei banen lopen, van messing. Ik zag een hoge slanke houten trechter. Een grote houten hoepel, doorsnede drie meter, met uitgeboorde gaten. Allerlei sierlijk gevormde plateaus en trappen en silo's en trapezes. Draden. Een grote ronde metalen schaal. En onderin een reservoir met grote knikkers. Het werd nog indrukwekkender toen Bischof het ding in werking zette: een zware cilinder zakte traag naar beneden, dreef aldus allerlei tandwielen aan, die weer de grote hoepel in beweging brachten, die knikkers mee naar boven nam en ze boven weer losliet. Daar begonnen ze dan aan een duizelingwekkende tocht door het labyrint van banen en bochten. Ze schoten erdoorheen, zwiepten langs allerlei uitvalweggetjes, kwamen soms even tot rust op tijdelijke verzamelpleinen, waar ze door anderen werden aangetikt en bijvoorbeeld in een liftje vielen dat tergend langzaam naar boven ratelde waar al twee knikkers in wachtpositie lagen om tezamen een klapzwengel te doen omslaan die de knikkers naar een luid tiktakkende hevel overbracht waar ze weer alle kanten uitstoven, op weg naar een houten springschans, in volle vaart een druk kruispunt over of helemaal onderin in het wachtreservoir belandend om weer meegenomen te worden door de traag ronddraaiende reuzenhoepel, waarna een nieuwe onvoorspelbare reis kon beginnnen.

De slapende installatie was op drift geraakt, en vol geritsel en geruis. Op allerlei plekken gebeurde iets, telkens weer anders, teveel om tegelijk waar te nemen. Razen, vallen, suizen, knikkeren, stuiteren – totdat de zware cilinder na zo'n drie kwartier de grond raakte, zodat de hoepel tot stilstand kwam, de knikkerverversing stopte, de roulatie verminderde, de vaart er langzaam uit verdween en er tot slot nog een enkele knikker over de nu verlaten banen raasde, om helemaal onderin, laatste geluid, dramatisch moment, met een droge tik te eindigen.

Oeroud patroon: een Oeraanstichter zet iets in gang, de zaak komt tot leven en alles sterft weer weg. Geboorte, leven, dood. Het kon niet anders, leek mij, dan dat Bischof van gedichten hield, en vooral van die van Hans Faverey: afgeronde werelden op zich, kleine kosmossen met een open structuur, bouwsels van schoonheid en beweging, om omheen te lopen, schijnbaar zonder nut. Hier zagen wij het grondpatroon dat ook ten grondslag lag aan de curieuze gedichten van Faverey: `Een gedicht begint, verschijnt en is weer weg', zei Faverey zelf, bijna verontschuldigend. `Een ontstaan en een verdwijnen, waarschijnlijk. Dat is wel erg globaal, maar het komt er toch op neer.'

Het kamergrote kinetische kunstwerk van Bischof vergeleken met een gedicht: de kunstenaar hoorde het welwillend aan, maar wees er op dat tot nu toe iedere bezoeker iets anders in de grote machine had gezien. De een zag een enorme productiehal. Of een casino, met rouletteballetjes. Een ander zag een flat met stijgende en dalende liften. Een distributiecentrum. Een vikingschip, onderin. Daar rechts het silhouet van een zeilboot. Volgens sommigen had het geheel ook wel iets van een groot muziekinstrument, een ruisharp, een walvisskelet. Naarmate het ding meer op drift raakte, begon het volgens anderen steeds meer op een achtbaan te lijken, een pretpark, vijf Prins Claus Pleinen boven elkaar. Een beeld voor het leven met al zijn toevallige ontmoetingen en botsingen en verlatingen.

Bischof had het grote ding, zoals hij het in de wandeling noemde, geen naam gegeven. In de hoofden van de kijkers zag het er toch steeds weer anders uit. In de loop der jaren was hij gaan inzien dat hij vooral een beeldengenerator had gemaakt, een spiegel van de ziel van de toeschouwer. Ik voelde mij weer licht betrapt, als domme lezer, ontmaskerd als oogkleppendrager, net als toen ik voor het eerst las over Jan en Jans fijne interpretatie van de klanktextuur van Beethovens Zesde, waarin voor wie goed luisterde het leuke gezicht van Marieke zichtbaar werd, Marieke van de bakker.

Jan Wouter van Reijen maakte een korte film over het werk van Mark Bischof: `Kinetic'. Te zien tijdens het International Film Festival Rotterdam (21/1-1/2/2004), als onderdeel van het verzamelprogamma `Observations'. Ook op DVD verkrijgbaar. Website: www.markinetic.com.