Toch maar niet aanraken, die man

Waren de moordenaars van het apartheidsregime in Zuid-Afrika zielige slachtoffers van hun omstandigheden? Of zeggen ze dat alleen maar om gratie te krijgen? Een onderzoek naar de excuses van Eugene de Kock.

Na de geweldloze overgang in Zuid-Afrika van apartheid naar democratie was een van de belangrijkste vragen wat te doen met al diegenen die betrokken waren geweest bij de misdaden van het apartheidsregime: de artsen die aan biologische wapens hadden gewerkt, de doodseskaders en de folteraars. Natuurlijk moesten de ergste misdadigers worden gestraft, maar tegelijkertijd moest een nieuw Zuid-Afrika worden opgebouwd, waarin de verschillende bevolkingsgroepen in vrede met elkaar zouden kunnen leven.

De nieuwe democratische regering onder leiding van Nelson Mandela besloot tot het instellen van de Commissie voor Waarheid en Verzoening, die in openbare hoorzittingen de waarheid over de apartheidsmisdaden boven tafel moest zien te krijgen, de daders met hun slachtoffers moest confronteren en zo als het ware een nationale dialoog op gang moest brengen. Het was een volstrekt nieuwe manier om met de erfenis van een misdadig regime om te gaan. Opmerkelijk was de vergevingsgezindheid van sommige nabestaanden.

Het kan niet alleen de nabijheid van daders en slachtoffers tijdens de hoorzittingen zijn die de slachtoffers zo vergevingsgezind maakt. Tijdens het Eichmann-proces in Israël kwamen de slachtoffers ook oog in oog te staan met hun beul, zonder dat het ook maar bij iemand opkwam deze man te vergeven. Eichmanns kilheid en de volstrekte afwezigheid van ook maar enig berouw zullen daaraan hebben meegewerkt, maar het is moeilijk voorstelbaar dat als hij in tranen was uitgebarsten en had geroepen dat het hem zo speet, hij wel op vergeving, laat staan amnestie had kunnen rekenen.

De klinisch psychologe Pumla Goboda-Madikizela begeleidde als lid van de Waarheidscommissie slachtoffers en hoorde hun getuigenissen tijdens de hoorzittingen, evenals die van de daders. Een van de ergste moordenaars die getuigde, was de leider van de geheime, nooit door het apartheidsregime erkende `operaties' van het apartheidsregime, Eugene de Kock, die zijn bijnaam `Prime Evil' ruimschoots had verdiend. Hij vermoordde samen met zijn halverwege de jaren tachtig opgerichte doodseskaders vele honderden Zuid-Afrikanen die werden verdacht van samenwerking met het ANC. Aan het eind van zijn getuigenverklaring over de moord op twee zwarte politiemannen zij hij hun weduwen te willen ontmoeten en om hun excuses aan te bieden.

Pumla Goboda-Madikizela vertelt in Veroverde Vergeving dat dat verzoek haar intrigeerde. Toen zij later hoorde dat de weduwen hem in het gesprek vergiffenis hadden geschonken, besloot zij De Kock te gaan opzoeken. De gesprekken die verdeeld over vele maanden plaatsvonden, heeft zij verwerkt tot een boek over spijt en vergeving na `massale wreedheden', zoals zij de misdaden van het apartheidsregime enigszins depolitiserend noemt. Zij wil een manier vinden om `de haat [te] overwinnen en de intermenselijke verhoudingen [te] herstellen', omdat de toekomst van Zuid-Afrika mede afhankelijk is van het vermogen om `in harmonie samen te leven' met vroegere vijanden.

Medelijden

Het is een fascinerend verslag geworden, niet alleen van de gesprekken, maar ook van haar eigen reacties, die zij steeds aan een kritisch onderzoek onderwerpt. Zo raakt zij tijdens het eerste gesprek De Kock even aan, in een gebaar van medelijden als hij verdriet toont. Haar eigen schuldgevoel over dit gebaar van sympathie voor een man die talloze moorden op zijn geweten heeft, komt steeds weer terug als Goboda probeert de emotionele en ethische Gordiaanse knoop van schuld en vergeving te ontwarren.

Dat dat niet lukt, lijkt bijna vanzelfsprekend: de wens om een nieuw en harmonieus Zuid-Afrika op te bouwen door het vergeven van mensen die misdaden tegen de menselijkheid hebben begaan, is immers moeilijk te rijmen met de eis van rechtvaardigheid en vergelding van kwaad. Het belang van het boek ligt dan ook niet in de conclusie, dat `de maatschappij zich [moet] openstellen voor mensen als Eugene de Kock'. Haar waarschuwing dat alleen gratie moet worden verleend aan mensen die berouw hebben, klinkt naief en voornamelijk ideologisch gemotiveerd.

Het belang van het boek ligt in de gesprekken zelf, waarin De Kock vertelt over zijn `werk' en Pumla Goboda via haar vragen duidelijkheid wil krijgen over zijn motivatie, de echtheid van zijn spijt en `hoe het allemaal zo ver kon komen'. Daarbij voelt Goboda steeds weer verwarring over de hele onderneming en vraagt zij zich af of zij dit wel moet doen, omdat het willen begrijpen van daders immers kan lijken op het vergoelijken van hun daden.

Dat laatste doet Goboda niet, maar zij legt wel herhaaldelijk De Kocks verantwoordelijkheid voor zijn daden bij de omstandigheden. Zo heeft zij het over de `maatschappij die een De Kock had geschapen' en vraagt hem hoe het voelt `slachtoffer te zijn van een ideologie die is verdwenen'. Zij vergelijkt de daden van De Kock met die van de door wanhoop en uitzichtloosheid ingegeven `halsbandmoordenaars', zwarte activisten die van verraad verdachte medebewoners van de townships op wrede wijze doodden door hen een brandende autoband om de hals te doen.

Vervolgens vraagt zij zich af of zij, als zij die activisten vrijpleit op grond van omstandigheden, dat niet ook zou moeten doen met mensen als De Kock. Er komt geen antwoord op deze vraag, maar haar betoog doet vermoeden dat zij niet echt het verschil in omstandigheden voor blank en zwart in het oude Zuid-Afrika meeweegt. Des te eigenaardiger als je weet dat zij zelf als kind van de townships geleden heeft onder het apartheidsregime.

Hoe de omstandigheden dwingend konden zijn voor De Kock om een carrière te kiezen in de onderdrukkingsmachine van de apartheidsstaat, is mij een raadsel. Goboda voert De Kocks vader op, een fanatieke apartheidsaanhanger, alcoholist en lid van de beruchte Broederbond, die hem een traumatische jeugd bezorgde door zijn gewelddadigheid, om te verklaren hoe het zover heeft kunnen komen. Hoewel zij in de meer analytische uitweidingen erkent dat ook slachtoffers van geweld altijd de keuze hebben om zelf niet te worden als degene die hen heeft getraumatiseerd, is daar in het verslag niets van te merken. Als zij ook het simpele feit van het behoren tot de blanke bevolkingsgroep als verklaring aanvoert, gaat zij veel te ver. Er zijn zeer veel voorbeelden van blanken die alles op het spel hebben gezet in hun verzet tegen de apartheid. Maar dat erkennen, zou haar betoog ondermijnen, waarin `de omstandigheden' altijd sterker zijn dan het individu.

Hypocrisie

Zij laakt terecht de hypocrisie van de voormalige leiders van de apartheid, die nu hun handen in onschuld wassen en zich ineens niets meer herinneren van de 'geheime operaties'. Maar dat maakt een man als De Kock niet minder verantwoordelijk voor zijn daden. Het is dezelfde discussie als na de Tweede Wereldoorlog: ontheft `Befehl ist Befehl' het individu van verantwoordelijkheid voor zijn daden?

Het antwoord draait om het individuele geweten. Goboda stelt dat mensen als De Kock wel een geweten hebben, maar daar niet naar handelen – zonder daaraan te verbinden dat het daar juist om gaat. Wie geen geweten heeft, is geestesziek en dus ontoerekeningsvatbaar. Maar wie dat wel heeft en desondanks de vreselijkste misdaden begaat, heeft geen excuus: hij is een slecht mens. Het niet straffen van dergelijke individuen, zoals Goboda onder bepaalde voorwaarden voorstaat, vervaagt de grenzen tussen goed en kwaad.

De Kock vertelt in een van de gesprekken dat hij al in 1981 begon te twijfelen aan zijn missie, nadat hij in de rugzak van een SWAPO-strijder een bijbel had aangetroffen, waardoor de officiële lezing dat hij tegen communisten vocht werd ondermijnd. Goboda gelooft niet in die twijfel, omdat zij zich niet kan voorstellen, dat als hij had vermoed dat zijn opdracht gebaseerd was op leugens, hij zou zijn doorgegaan met wat hij deed. Is dat naïviteit of bewuste blindheid? Je krijgt het gevoel dat Goboda ondanks haar professionaliteit als psychologe, ondanks de wetenschap van wat deze man op zijn geweten heeft, zich er eenvoudig niet bij kan neerleggen dat er slechte mensen bestaan.

De Kock lijkt dit haarfijn aan te voelen, want hij manipuleert het gesprek als het ware om zijn misdaden heen, om steeds weer te benadrukken hoe verdrietig hij nu is over het verleden. Het wekt dan ook geen verbazing als aan het einde van het boek blijkt, dat De Kock inmiddels gratie heeft aangevraagd. Dit bevestigt de indruk dat Goboda zich heeft laten bedotten: want als deze man zich zo bewust zou zijn van zijn schuld als hij beweert en echt berouw zou hebben, zou hij zijn straf juist willen uitzitten. Nu blijft de indruk hangen dat de spijtbetuigingen niet veel meer zijn dan een weloverwogen middel om gratie te krijgen.

Pumla Goboda-Madikizela: Veroverde vergeving. Oog in oog met de killer Eugene de Kock. Balans, 222 blz. €16,50