Openstaan voor de Ander

De `Europese Literatuur', bestaat die eigenlijk wel? De Turkse schrijver Nedim Gürsel: ,,West en oost ontmoeten elkaar niet om te botsen maar om een droom te realiseren.''

Op zijn twintigste, in 1971, verliet de Turkse schrijver Nedim Gürsel zijn geboortestad Istanbul. Hij had een artikel over Lenin en Gorki gepubliceerd in het literaire tijdschrift La voix du peuple, dat het zojuist aangetreden militaire regime onwelgevallig was. Eerder dat jaar had de Turkse legerleiding een staatsgreep gepleegd waarbij de toenmalige premier, Süleyman Demirel, was afgezet, alle linkse politieke organisaties werden verboden en persvrijheid een illusie werd. Tegen Gürsel werd een gevangenisstraf van zeven jaar geëist. Hij vluchtte naar Parijs, waar hem asiel werd verleend.

Sindsdien heeft Gürsel (1951) de uithoeken van Europa bereisd. Hij promoveerde op de Franse schrijver Louis Aragon en de Turkse dichter Nazim Hikmet. Hij zette zich in voor toenadering tussen Griekenland en Turkije, waarvoor hem de Ipecki Award werd toegekend. In de loop der jaren doceerde hij aan de Sorbonne en aan de universiteit Paris-III. Tegenwoordig is hij `directeur de recherches' bij het CNRS (de Franse equivalent van het NWO) en onderwijst hij aan de Ecole des langues orientales.

Gürsel, volgens de grote Turkse schrijver Yashar Kemal (1922) een van de zeldzame auteurs die iets nieuws aan de Turkse literatuur hebben toegevoegd, publiceerde romans, verhalen, reisverhalen en essays die zowel in Turkije als in Frankrijk verschenen en in veel talen werden vertaald. Twee van zijn vroege titels werden in het Nederlands vertaald door Erik Jan Zürcher, tegenwoordig hoogleraar moderne Turkse geschiedenis aan de Universiteit van Leiden. Zürcher weidde vorige week nog in deze krant uit over het begrip eergevoel binnen de Turkse cultuur.

Gürsel woont afwisselend in Parijs en in Istanbul. Dit jaar verblijft hij, op uitnodiging van de Deutsche Akademische Austauschdienst, in Berlijn. Hij bewoont een groot, met louter grenen meubelen ingericht herenhuis, in een lommerrijke zijstraat van de Kurfürstendam. Leeg is het binnen, als in het huis van iemand die uit de koffer leeft, iemand die vandaag nog niet weet of hij morgen zal vertrekken maar in ieder geval die mogelijkheid open wil laten. Aan de muur een affiche van een recent optreden in een Duitse boekhandel, de omslag van zijn meest recente roman in het Turks; op tafel boeken over de Balkan en Nootebooms Berlijnse notities in een Duitse vertaling. Gürsel werkt aan een roman die speelt in Berlijn ten tijde van de val van de Muur en die periode beschrijft Nooteboom nu net in zijn boek, vertelt de schrijver, terwijl hij naast de Turkse koffie een glaasje Italiaanse sambucca zet en kleverige oosterse delicatessen presenteert met de zoetige naam Secrets de l'harem.

Meervoud

,,Een homogene Europese literatuur bestaat niet'', doceert hij meteen, ,,je kunt hoogstens spreken van Europese literaturen, in het meervoud, en proberen gemeenschappelijke elementen te zien. In Istanbul, om precies te zijn op de brug over de Bosporus, ontmoeten het westen en het oosten elkaar. Niet om met elkaar te botsen, zoals Samuel P. Huntington beweerde in zijn theorie van `clashing cultures', maar om een droom te realiseren. Bij de droom van een meervoudig etnisch en multicultureel Europa hoort ook de periferie''. Gürsel zal er deze middag een paar keer op terugkomen. ,,De auteurs die Europa voor mij het meest symboliseren zijn zij die het dichtst staan bij de uiterste grenzen van Europa: de Portugees Fernando Pessoa, de Servische auteur Ivo Andric en de Turkse schrijvers Nazim Hikmet en Yashar Kemal.''

Daarmee raakt Gürsel meteen aan de spagaat tussen oost en west waarin de Turkse identiteit zich bevindt: de botsing tussen het islamitische geloof en opgelegd secularisme, tussen de wens tot toenadering tot het westen en het wantrouwen ten opzichte van datzelfde westen.

Fel geeft Gürsel af op het Midden-Europese concept van het `Mitteleuropa', dat volgens hem sinds de val van de Muur overal opgang doet en bij de Balkan de grenzen van Europa trekt. ,,De Europese cultuur is in de loop der eeuwen vanuit een joods-christelijke traditie tot stand gekomen. Daar zijn in de achttiende eeuw de ideeën van de Verlichting en de idealen van de Franse Revolutie bijgekomen: democratie, mensenrechten, maar ook het openstaan voor de Ander. Ik ben een leerling van professor René Etiemble, een van de grondleggers van de Europese vergelijkende literatuurwetenschap. Van hem heb ik geleerd dat denken vanuit een Midden-Europa veel literatuurwetenschappers op het verkeerde been heeft gezet. Hij dacht grensoverschrijdend en werkte op een universeel niveau.''

Een hele generatie schrijvers heeft, net als Gürsel, een nationalistische opvoeding gekregen in de geest van Mustafa Kemal Atatürk, die aan het begin van de vorige eeuw van Turkije een moderne, seculiere staat wilde maken. Daartoe riep hij onder andere de republiek uit, schafte het sultanaat af en voerde het Latijnse schrift in. ,,Als jongen bezong ik in mijn gedichten de Turkse soldaat, de held bij uitstek. Ik vereerde Atatürk in mijn verzen, verafschuwde de vijanden van de natie, zoals de Grieken. Na de gebeurtenissen van mei '68 maakte het marxisme opgang, en dat schreef voor de literatuur politiek engagement voor.''

Gürsel heeft geprobeerd afstand te houden van het socialistisch realisme door zich steeds vooral toe te leggen op de taal, op een poëtische toon. ,,Ik heb nooit geloofd dat politiek en literatuur samen kunnen gaan, maar toen ontkwam je als schrijver niet aan dat debat.''

Het lijkt erop dat geen enkele grote Turkse schrijver de politiek links kan laten liggen: of het nu gaat om Yashar Kemal, om Orhan Pamuk of om Nedim Gürsel, steeds maakt de politiek inbreuk op de letteren. Machtsmisbruik verzwijgen, geweld negeren – het blijkt onmogelijk voor wie de wrede politieke werkelijkheid heeft ondergaan. In zijn verhalenbundel Een lange zomer in Istanbul (1975) beschrijft Gürsel in bedekte termen hoe militante linkse jongeren door het militaire regime gemarteld en voorgoed gebroken worden,en hoe een hele generatie studenten voor het land verloren is gegaan. Hij bezigt symbolen en allegoriëen (`een epidemie die zich onder de brandende zon om de stad slingerde'). ,,De Turkse generaals konden het niet waarderen dat ze werden vergeleken met invallende Mongolen,'' grinnikt Gürsel en ,,het boek werd verboden wegens het in gevaar brengen van de nationale veiligheid''.

Zijn novelle De eerste vrouw, waarin een zestienjarige jongen een bezoek brengt aan een prostituee, onderging hetzelfde lot ,,vanwege aantasting van de moraal en de goede zeden''.

Vlucht

Gürsel ontkwam door zijn vlucht naar Parijs aan de gevangenis. Hij werd niet gefolterd, maar een aantal van zijn collega's wel. Zijn hele generatie is tot op de dag van vandaag getekend door tastbare herinneringen aan onderdrukking en onvrijheid. Wie het niet aan den lijve ondervond, wordt door schuldgevoel uit de slaap gehouden en schrijft over de dictatuur. In zijn verhalenbundel Balcon sur la méditerranée (1991) voert Gürsel personages op die nog nachtmerries hebben van de martelingen die zij vroeger hebben ondergaan. Zelfs tijdens de extase van de lichamelijke liefde krijgen ze beelden op hun netvlies die hun iedere levensvreugde ontnemen. ,,Verwonding en pijn zijn vaste thema's in het werk van schrijvers van mijn generatie, maar des te sterker ook is onze vreugde over het leven in vrijheid, des te pregnanter onze gedachten over de schoonheid van de kunst.''

Erotiek is dan ook vaak prominent aanwezig. Gürsel zelf gedraagt zich onmiskenbaar als een womanizer. ,,Het was niet gemakkelijk om jong te zijn in Istanbul in de jaren zestig. Seks was een taboe. Ik zat na de dood van mijn vader op een streng jongensinternaat en ben daar een groot masturbator geworden. Die frustratie uit mijn jeugd heeft vooral mijn latere werk beïnvloed. Op de universiteit in Parijs waren er veel vrouwelijke studenten, daar heb ik mijn schade ingehaald. Ik ben een echte homme à femmes, heb nooit een langdurige relatie met een vrouw kunnen aangaan.'' Gürsel trouwde een studente, die in Parijs woont en met wie hij een negenjarige dochter heeft.

Zijn vroegtijdige exil – eerst gedwongen, later verkozen – is ook iets wat hij met veel collega's van zijn generatie gemeen heeft. ,,Je leven opbouwen in een ander land, er wonen, de taal leren, de cultuur ontdekken, dat is een enorme verrijking. Uit mijn ballingschap komt dat gevoel voort van `eeuwig moeten zwerven'. Het is een universeel literair thema. Al in de populaire Turkse volkspoëzie is exil de voorwaarde om dichter te kunnen zijn. De troubadour moet zijn land verlaten en dan in lyrische, nostalgische verzen klagend zijn land, zijn dorp en zijn verlaten geliefde bezingen. Dat is de basis van de Anatolische lyrische traditie.''

Gürsels `turcité' zit voornamelijk in de taal van zijn romans: het Turks. Soms schrijft hij essays eerst in het Frans en verschijnen ze later in het Turks.

Terwijl Gürsels boeken in Turkije verboden werden, las hij zelf in Parijs alle grote westerse schrijvers. Ook ontdekte hij daar het bestaan van een indrukwekkende ottomaanse literatuur. ,,Juist wegens mijn ballingschap die eerste jaren is Istanbul een belangrijk thema in mijn boeken geworden.''

In zijn succesvolle historische roman Le roman du Conquerant (1996), roept Gürsel het beleg van Constantinopel door Mehmed II in 1453 in geuren en kleuren op. ,,Mehmed II, ook wel de Veroveraar genoemd, is een van de belangrijkste figuren uit de ottomaanse geschiedenis. Ik heb alle vijftiende-eeuwse teksten gelezen die betrekking hebben op de inname van de stad door de Turken in 1453, en me in alle legendes verdiept die er over die tijd bekend zijn. Toen heb ik pas echt de geschiedenis van mijn geboortestad doorgrond: Istanbul, een stad met een universele roeping, was eerst duizend jaar lang de hoofdstad van het Byzantijnse Rijk, daarna gedurende vijf eeuwen het centrum van het Ottomaanse Rijk. Beide rijken omvatten veel verschillende bevolkingsgroepen. Mijn vrienden op de Balkan vinden het niet leuk als ik het zeg, maar ik zeg het toch: er heeft eeuwenlang een soort pax ottomanica in die regio geheerst, waarbij de Turken nooit hun eigen godsdienst hebben opgelegd aan de volkeren die er leefden. Pas in de negentiende eeuw begon het nationalisme op te spelen, wilden volkeren hun eigen staat stichten. Eerst de Grieken, toen de Bulgaren en de Serven, later de Montenegrijnen en de Bosniërs.''

Mehmed II

Het lijkt wel of Gürsel een zekere nostalgie koestert voor de ottomaanse tijd, of hij zich identificeert met de Grote Veroveraar Mehmed II. Hij ontkent het niet: ,,Mehmed II werd geobsedeerd door de wil Constantinopel in te nemen en ik ben lang geobsedeerd geweest door de figuur van Mehmed II. De geschiedenis van Turkije is een bron van inspiratie geweest voor mijn romans, en dat geldt voor veel Turkse schrijvers.''

Juist het niet kunnen loskomen van de geschiedenis wordt wel de zwakke plek van Turkije genoemd. Het hameren en steeds weer terugkijken naar het grootse verleden, toen de Ottomanen heersten over een groot deel van de wereld, zou leiden tot een superioriteitsgevoel dat in contrast staat met het minderwaardigheidsgevoel dat Turkije beheerst in relatie tot Europa. De bruuske manier waarop Mustafa Kemal Atatürk de `verwesterlijking' aan zijn volk oplegde, een breuk met het verleden tot stand bracht en de toegang tot de eigen tradities belemmerde, heeft wellicht tot die verwarring geleid. Le roman du Conquerant en Les turbans de Venise zijn geen historische romans die het glorieuze verleden van Turkije bewieroken. Nostalgisch zijn ze wel, melancholieke schilderingen van de teloorgang van een exotische wereld. Gürsel heeft, via zijn beschrijvingen van gebeurtenissen uit het verleden, altijd iets te zeggen over de hedendaagse geschiedenis. Le roman du Conquerant bijvoorbeeld schreef hij na een verblijf in het belegerde Sarajevo. ,,Elementen van die ervaring komen terug in mijn roman.''

Maar wat hij werkelijk wil aantonen, is veel ambitieuzer en ligt in het verlengde van zijn wens de rol van bruggenbouwer te spelen tussen oost en west – een roeping die geldt voor menige literaire collega. De hoofdpersoon van Les turbans de Venise, een Turkse kunsthistoricus, gaat naar Venetië om onderzoek te doen naar de Italiaanse schilder Gentile Bellini. Deze schilder heeft, vijf eeuwen eerder, op verzoek van Mehmed II, een portret van de Turkse heerser gemaakt – een uitzonderlijke gebeurtenis, want door de islam gold tot dan toe een verbod op het maken van afbeeldingen.

,,Mijn boek draait om twee reizen, die van de Italiaanse schilder in de vijftiende eeuw naar de oriënt en die van de hedendaagse Turkse kunsthistoricus naar het westen. In de allegorie van de Italiaanse schilder en zijn oriëntaalse model verbeeld ik de ontmoeting tussen oost en west. In 1479 tekende Mehmed II de vrede met la république sérénissime, de Republiek Venetië. Meteen daarna ontbood hij Bellini, aangezien hij gehoord had dat er nieuwe ontwikkelingen waren in de kunst, de Italiaanse Renaissance. Dat was de eerste keer dat men vanuit een ottomaans raam met belangstelling naar het westen keek.''

Het gaat Gürsel erom aan te tonen dat de wil tot toenadering tot het westen geen nieuw verschijnsel is. Het dateert niet van nu, niet van het begin van de twintigste eeuw, toen Mustafa Kemal Atatürk via de Nationale Revolutie zijn modernisering doorvoerde; en het is ook niet ontstaan ten tijde van het zogenoemde Tanzimat, toen sultan Abdülmecid in het midden van de negentiende eeuw een periode van hervormingen aankondigde. De eerste toenadering dateert uit de tijd van Mehmed II, betoogt Gürsel: ,,Bellini is anderhalf jaar in Istanbul gebleven, hij heeft in het paleis van de sultan een schildersatelier geopend en men zegt dat hij op de muren van de harem van de sultan erotische afbeeldingen heeft aangebracht. Daar zijn helaas geen sporen van teruggevonden: zijn zoon was een fundamentalist en heeft alles laten weghalen, inclusief de kunstcollectie van zijn vader. Dat moment was het begin van een ottomaanse renaissance, maar is in de knop gebroken.''

Mengelmoes

Vanaf de vijftiende eeuw was Istanbul het Turkse culturele en literaire centrum bij uitstek. In die stad bevond zich eeuwenlang het hof van de ottomaanse sultan, waar alle grote klassieke dichters vertoefden. ,,Die literatuur is jammer genoeg nu ontoegankelijk voor de jeugd, omdat de taal waarin hij geschreven is bestaat uit een mengelmoes van Arabisch, Turks en Perzisch.'' In Anatolië daarentegen, het Aziatische deel van Turkije, bestond er vooral een orale literaire traditie – volkspoëzie, die van generatie op generatie mondeling is overgedragen. ,,Die poëzie heeft de eeuwen doorstaan omdat ze steeds weer is opgezegd. Pas in de twintigste eeuw hebben literatuurwetenschappers die gedichten opgeschreven.'' Een van de grootste dichters die zo in de vorige eeuw ontdekt werd is Tunus Emre uit de dertiende eeuw. ,,Zijn poëzie is universeel en nog steeds actueel. Emre is een groot lyrisch en mystiek dichter, die het religieuze fanatisme fel heeft bestreden. Tolerantie en gelijkheid tussen de verschillende religies was een van zijn thema's en daarom wordt hij tot op de dag van vandaag gelezen.

,,In die tijd vielen de Mongolen vanuit het oosten aan'', vertelt Gürsel, die over de dertiende eeuw spreekt alsof hij er bij was. ,,Het was een chaotische tijd, de mensen waren bang, leden honger. Ze vluchtten in religieus mysticisme, stichtten in Anatolië de eerste religieuze broederschappen. Aan het einde van de twintigste eeuw was er ook sprake van een chaos op wereldniveau: de gevolgen van de mondialisering, de verbrokkeling van de voormalige Sovjet-Unie, de oorlogen in Irak en Afghanistan, de val van de muur. En net zoals toen was er sprake van een opkomst van de spiritualiteit. Je vindt het al in de verzen van Emre.''

In deze tijden van verwarring speelt het verleden extra op, meent Gürsel. ,,Oeroude mythen en fantasmen, die eeuwenlang hebben rondgedoold in het collectieve bewustzijn van de Europeanen komen weer boven. De belangrijkste is wel die van de Grote Wrede Turk, heerser over een immens imperium, die ieder ogenblik weer zijn klauwen kan uitslaan. Die Turk, moslim bovendien, is de Ander bij uitstek, een vreemdeling die zo snel mogelijk moet worden verjaagd naar waar hij vandaan komt. Dat is het spookbeeld van Turkije zoals het tot op de dag van vandaag rondwaart in de hoofden van de Europeanen.''

Het verdrijven van dat spookbeeld is een taak die menig Turks schrijver zichzelf heeft gesteld.

`Een lange zomer in Istanbul' en `De eerste vrouw' verschenen bij Meulenhoff in de vertaling van Erik Jan Zürcher; de Franse vertalingen van het werk van Nedim Gürsel bij uitgeverij Le Seuil.