Oorlog vanaf grote hoogte

Vijf miljoen luchtopnames van de Royal Air Force zijn online toegankelijk gemaakt. Als de techniek meewerkt, kunnen liefhebbers de Tweede Wereldoorlog zien door de ogen van RAF-piloten.

Iedereen kon opeens beschikken over zijn eigen spionagesatelliet toen, een paar jaar terug alweer, een aanbieder van satellietfoto's zijn databank via internet toegankelijk maakte: www.terraserver.com. De site was ongekend populair. Het duurde een volle dag voordat de surfdrukte was geluwd en het `pagina niet beschikbaar'-scherm was verruild voor de gezochte homepage.

Afgelopen zaterdag ging een kolossaal archief van luchtfoto's online die de geallieerden in de Tweede Wereldoorlog hadden gemaakt. Tot deze krant ter perse ging, was het gratis web-archief, www.evidenceincamera.co.uk nog altijd onbereikbaar. Tenzij de computertechnologie in de tussengelegen tijd achteruit is gegaan, lijkt het bewijs geleverd: het verleden is interessanter dan het heden.

Het archief is gedigitaliseerd en op internet gezet door de Britse Keele University. Het omvat een collectie van vijf miljoen plaatjes die piloten van de Royal Air Force in de zes oorlogsjaren hebben geschoten.

Het gaat – volgens het promotiemateriaal dat wel voorhanden is – om spectaculaire foto's, zoals van het slagschip Bismarck dat heimelijk in een Noorse fjord op stoom kwam om geallieerde konvooien aan te vallen, van de landingen op de stranden van Normandië en van de gevechten bij Arnhem.

Maar niet alle online-foto's belichten fotogenieke gebeurtenissen. Het gros is onderdeel van de logistieke oorlogsbureaucratie die de geallieerde bombardementen mogelijk maakte op Duitse fabrieken, raffinaderijen en, vooral, steden. Het zijn weinig opbeurende plaatjes: Keulen, Düsseldorf en Hamburg `voor' een geallieerd bezoek, en deze steden `na'.

Het openbaar maken van al dit beeldmateriaal belooft de discussie over de militaire noodzaak en het nut van al deze bombardementen die zoveel burgers het leven kostten weer aan te wakkeren.

De beheerder van het archief, Allan Williams, leek het debat hierover op voorhand al te willen ontwijken. In interviews naar aanleiding van de openstelling wees hij erop dat uitgerekend de Duitse generaal Werner von Fritsch in 1938 een, volgens Williams, visionaire uitspraak deed: ,,De militaire organisatie met de beste luchtverkenning gaat de volgende oorlog winnen.''

Over die wijsheid valt te discussiëren – en niet alleen omdat Von Fritsch' expertise vooral de inzet van de artillerie gold. In de eerste oorlogsjaren beschikten de Duitsers namelijk over de beste luchtverkenning. Atlantische konvooien haatten de viermotorige `Condors' die ongestoord alle koerswijzigingen aan de U-boote konden doorseinen. En de vliegbases van de sovjet-luchtmacht waren al lang voor de Duitse aanval op Rusland tot aan de laatste hangar door hoogvliegende Aufklärer in kaart gebracht, met desastreus gevolg.

Er is meer grond voor discussie. Zoals de Britse militair historicus John Keegan in zijn jongste boek Intelligence in War betoogt, is de militaire waarde van correcte inlichtingen zonder slagkracht hoegenaamd verwaarloosbaar. Je kunt wel precies weten waar de vijand zijn tanks produceert, zegt hij, maar als je de tankfabrieken vervolgens niet kunt platgooien is die informatie van geen enkele waarde.

De vraag is onvermijdelijk: hadden die geallieerde bombardementen eigenlijk wel zin? Het antwoord is gegeven door de Britse historicus Richard Overy in zijn Why the Allies Won. Het was niet heel koosjer, zegt hij, om Duitse steden te bombarderen, maar een significant deel van de Duitse oorlogsinspanning moest wél worden geïnvesteerd in de productie van luchtdoelgeschut. En dat maakte het allemaal de moeite waard.

Maar het overtuigendste bewijs van de uitwerking van het luchtoffensief kwam van Albert Speer, de Duitse minister van Bewapening. Toen de oorlog was afgelopen zocht hij zijn toevlucht in een kasteeltje bij Flensburg, vlakbij de grens met Denemarken. Twee Amerikaanse militairen die speciaal naar Speer op zoek waren, vonden hem daar. ,,Ik weet wel waar jullie voor komen'', zei Speer, ,,jullie zijn van de United States Strategic Bomber Survey, de USSBS, en jullie willen weten of die bommen een beetje effect hebben gehad.'' Dat hij geen marine of landmacht verwachtte zegt genoeg over zijn respect voor de bommenwerpers.

Von Fritsch heeft het gelijk, of ongelijk, van zijn stelling nooit meer kunnen constateren. Hij werd al in september 1939, tijdens de campagne tegen Polen, getroffen door een verdwaalde, Duitse, kogel.