Luchtig door de bodemloze hel heen

Ik zal het maar meteen bekennen: van Haruki Murakami's roman De Opwindvogelkronieken heb ik niets begrepen. En dat heeft het leesgenot geen moment in de weg gestaan.

Zie daar twee opmerkingen die doorgaans niet in één adem worden geuit. Maar De Opwindvogelkronieken is dan ook niet zomaar een roman. Dit is een index van menselijke eigenaardigheden. Auteur Haruki Murakami heeft ruim achthonderd bladzijden volgeschreven over de menselijke natuur: onze wreedheid, de ongrijpbare melancholie, de richtingsloosheid, de behoefte aan liefde en liefhebben versus de behoefte aan alleen-zijn. In een lange reeks petites histoires smelten al deze motieven samen tot een overkoepelend thema: de onmogelijkheid om een ander mens wezenlijk te doorgronden.

Daar gaan wel meer romans over. Maar Murakami Haruki behandelt het onderwerp op een weldadig alledaagse manier, zonder drama of sentimentaliteit. Deze roman, door Murakami geschreven tijdens een verblijf in Amerika aan het begin van de jaren negentig, speelt zich af in een buitenwijk van Tokyo. De mensen die erin voorkomen zijn Japanners, dat weten we omdat ze allemaal zwart haar hebben. Maar ze zijn niet typisch Japans. Niemand doet zijn schoenen uit in huis, nergens zijn schuifdeuren of tatami-matten. Zoals ook in Murakami's eerdere werk eten zijn Japanners pizza, schrijven met Mont Blanc-inkt en luisteren naar westerse componisten of popmuziek. Het rumoer van de grote stad of de spreekwoordelijke werkdrift van De Japanner komt hier niet voor. De sfeer is eerder verstild.

Murakami's personages hebben steeds overal tijd voor: zoals eindeloze gesprekken en vruchteloze zoektochten. De hoofdpersoon, de jongeman Toru Okada, raakt om te beginnen van alles kwijt: werk en poes. Dan komt ook zijn vrouw op een dag niet thuis van haar werk. Na een tijdje krijgt Toru een brief waarin ze schrijft dat ze hem heeft verlaten voor een andere man. Dit existentiële vacuum wordt langzaamaan opgevuld met nieuwe gezichten, zoals het vileine buurmeisje May Kasahara en de helderziende gezusters Malta en Kreta Kano, later gevolgd door de oudere dame Nootmuskaat en haar stomme zoon Kaneel. Geholpen, en soms juist tegengewerkt door deze pesonages, zoekt Toru Okada naar zijn dierbaren. Tenminste, zo lijkt het. Maar al snel blijkt dat Toru wel zoekt, maar zich onderweg makkelijk laat afleiden.

Telefoonseks

Zo maken de anderen lustig misbruik van Toru's onnozelheid: voor telefoonseks, men dringt zijn huis binnen of sluit hem op in een diepe put. En iedereen die hij tegenkomt is interessanter dan hijzelf. Of het nu de 16-jarige May Kasahara is die een schoolvriendje heeft vermoord door achterop de motor haar handen voor zijn ogen te slaan, en nu pruikenmaakster wil worden. Of Kreta Kano, die zichzelf een `prostituee van gedachten' noemt, en haar seksuele diensten aanbiedt via dromen en hallucinaties. Of Toru's zwager, de meedogenloze politicus Noboru Wataya, die zich tot zijn spiegelbeeld ontwikkelt: al net zo hol maar dan met een kwaad genius.

De personages gedragen zich ongewoon. Toru zelf ontdekt ineens de helende kracht van het verblijf in een droge put en zit dagen achterelkaar op de bodem. Zo vergaart hij een speciaal soort levensenergie die hij samen met de dame Kaneel exploiteert: oudere vrouwen die allemaal een verder ongedefinieerd `zwaar ding' in hun ziel dragen, kan hij in duurbetaalde sessies verlichting geven.

Toru kan ook nog eens door muren wandelen, en heeft een bovenmatige interesse voor het geluid van de `opwindvogel' (zo genoemd omdat hij een oorverdovend geluid maakt, alsof hij de `veren van de wereld opwindt').

Maar beweren dat Haruki Murakami `bizar' is, is net zoiets als zeggen dat Proust lange zinnen maakte: het mag als bekend worden verondersteld. Het was immers Murakami die in The Wild Sheep Chase (1982) een op zijn achterpoten lopend schaap introduceerde dat whiskey dronk en een goed gesprek voerde. En schreef hij eerder niet over olifantenfabrieken, en zich uit dromen materialiserende dwergen?

Murakami beschrijft zijn merkwaardige geschiedenissen vanzelfsprekend: ook de bevreemdenste personages drukken zich uit in lichtvoetige spreektaal. Met een enkele beeldspraak onderstreept Murakami zijn bedoeling. Zoals die over slaap: `Ook dit was geen normale slaap', denkt Toru. `Het was een intense, gewelddadige slaap. Hij beroofde me van mijn bewustzijn zoals een aanrander zijn weerloze slachtoffer de kleren van het lijf rukt' – en dit alles uitzonderlijk mooi vertaald door Jacques Westerhoven.

Murakami schrijft niet alleen virtuoos, hij weet ook het metafysische invoelbaar te maken. Vaak wordt bovennatuurlijkheid beschouwd als een vrijbrief voor zintuigelijke radiostilte. Hoe het werkelijk voelt om iets bovennatuurlijks te ondergaan wordt niet uitgelegd; waarschijnlijk schiet de fantasie van de schrijver tekort. Zo niet bij Haruki Murakami. Hij neemt de moeite om uit te leggen wat je ervaart bij een stap door een muur. Dat blijkt koud en glibberig, alsof je door een enorme gelatinepudding glijdt. `Ik hield mijn mond stijf dicht om er niets van binnen te krijgen', meldt Toru Okada.

Mongolië

Ook op een andere manier biedt Murakami een concreet houvast, en wel door het relaas van luitenant Mamiya. Tegenover al het moderne gerommel met spiritualiteit en transcendentie plaatst Murakami de moderne geschiedenis van Japan: de Japanse invasie van Mongolië voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog. Verspreid door het boek vertelt luitenant Mamiya zijn ervaringen. Ze waren grotesk van gruwelijkheid. Zo maakte hij mee hoe een Japanse soldaat werd gevild door een Mongool met een vlijmscherp, specialistisch mes. Mamiya verhaalt hoe de viller precies te werk ging, hoe het lichaam van de ongelukkige Japanner er in alle stadia van ontvelling uitzag en hoe de bevelhebbende Mongool na afloop even overgeeft en dan koelbloedig opmerkt: `Blijkbaar wist hij het echt niet.'

De portee van deze scène echoot de rest van het boek nog na. De ontmenselijking door oorlog, en dat, zoals Mamiya opmerkt, `de hel geen bodem heeft'.

In dat licht bezien zijn de wederwaardigheden van Toru en aanhang in hedendaags Tokyo tamelijk luchtig. Toru lijdt, maar vooral aan het eigen gebrek aan slagvaardigheid.

Zo biedt Murakami in dit boek voor alles een tegenhanger. Niet alleen letterlijk (realiteit tegenover droom, geschiedenis tegenover heden, of Toru's leven in het daglicht tegenover zijn afdalingen in de donkere put), maar ook in de gedachten van de personages. Niets staat vast. Niemand weet ooit iets zeker. Zo haalt Toru een herinnering op aan zijn vrouw Kumiko die een abortus moest ondergaan. Ze had hem tevoren gevraagd hoe het kwam dat ze zwanger was, en of hij dacht dat het mogelijk was dat ze misschien van iemand anders zwanger zou zijn dan van hem. Nadat ze deze mogelijkheid zelf heeft ontkend, zegt ze ernstig: `Maar soms, hè, soms begrijp ik van allerlei dingen zo weinig. Wat je wel kunt geloven, en wat niet. Wat er echt gebeurd is en wat niet. Maar alleen soms, hoor.'

Murakami's personages leven in een dubbelwereld waarvan je je steeds kunt afvragen wat werkelijkheid is en wat schijn. Alsof ze 's avonds in een trein zitten, naar hun reflectie in de ruit kijken en denken: `Wie is nu de echte ik, die daar in het donker, of die hier op de bank?'

Haruki Murakami: De Opwindvogelkronieken. Vertaald door Jacgues Westerhoven. Atlas, 864 blz. €29,90