Liever een kroes bier dan de heilige hostie

Hoe `grof en plomp van taal en wezen' zijn de Friezen eigenlijk? In meer dan honderd, vaak sterke verhalen, vertaald uit vele bronnen, komen God, seks en trommelmuziek aan de orde, maar ook de Friezen die eeuwen geleden naar Groenland, Egypte en het Turkse hof trokken.

`In het jaar 28 verbraken de Friezen, een stam aan de overkant van de Rijn, de vrede. Dat was meer door onze hebzucht dan omdat zij hun gehoorzaamheid niet konden verdragen.' Dit zijn woorden van de geschiedschrijver Tacitus. Op het eerste gezicht lezen we er Romeinse zelfkritiek in, lees je het nog eens dan rijst een andere vraag: en het `leaver dea as slaef' (liever dood dan slaaf) dan? Waren de Friezen zo gehoorzaam?

De zinsnede van Tacitus is te vinden in Kerst Huismans bloemlezing De Friese geschiedenis. Meer dan honderd verhalen. Huisman verzamelde teksten uit uiteenlopende bronnen – kronieken, heiligenlevens, rechtbankvonnissen, dagboeken, kranten – waarin een aspect van de historie van Friesland wordt belicht. Hij gedraagt zich als een soort archivaris, die het ene na het andere van de kilometers strekkende planken plukt en zegt: 't Is vol van schatten hier! Een zeer vruchtbare methode, naar blijkt. Natuurlijk ontstaat op deze manier geen samenhangend verhaal over de ontwikkelingsgang van Friesland door de eeuwen heen. Maar het mooie is dat de lezer dat nu zelf kan bedenken. Dankzij casus na casus – een verhaal waarin de moraal een rol speelt, een stuk over de seksuele praktijk, Friese deelneming aan krijgsgewoel, Friezen en hun verhouding tot God en kerk, Friese trommelmuziek, heldendom op het voetbalveld of Friese welsprekendheid – ontstaat er toch een beeld. En je voelt trek, zo niet honger opkomen, naar meer en nog meer.

Na Huismans Friese geschiedenis had ik in ieder geval de sterke behoefte zelf de archieven in te duiken. Eén verhaal heb ik intussen wel gemist. Achttiende eeuw, Terwispel, rijke boer en gemeentebestuurder komt de huur bij een pachter innen, treft de begeerlijke pachtersvrouw alleen thuis en stelt inning in natura voor. De pachter heeft onraad geroken, komt van het land aanrennen en treft zijn wederhelft door voornoemde inner bedekt in het hooi aan. Volgt afrekening. Een gemakkelijk schrijver als Kerst Huisman had er een sappige geschiedenis van kunnen maken.

Mooie verhalen – Huisman heeft er een zeer goede neus voor. Niet zelden ook sterke verhalen. Zo lezen we over een Friese godslasteraar uit 1020 die liever een kroes bier tot zich neemt dan de heilige hostie. Geef hem eens ongelijk, maar God straft onmiddellijk: de man valt die avond dronken van zijn paard en breekt zijn nek. Omdat hij een der dorpsnotabelen is, wordt hij toch in gewijde aarde begraven. Als de Utrechtse bisschop Adalbold dat hoort reist deze meteen naar het dorp om de godslasteraar op te laten graven: `En toen het lijk werd weggesleept, braakte het, ook al had het bijna twee weken onder de zoden gelegen, over een afstand van een mijl alsmaar bier, net alsof de overledene zich net nog vol gedronken had.'

Uit een geschiedenis van de aartsbisschoppen van Hamburg dook Kerst Huisman niets minder dan een Friese Noordpoolexpeditie uit de elfde eeuw op. Voorbij het ijzige IJsland doorploegen ze de zee, tot een dichte duisternis invalt: `En zie! De onbestendige oceaan, die tot de verborgen oorsprong van zijn bron terugkeerde, sleurde de ongelukkige schippers, die reeds wanhoopten, ja slechts aan de dood dachten, met een geweldige kracht naar die diepe afgrond, waarin volgens de geruchten alle terugvloeiende water van de zee wordt opgeslorpt en weer uitgebraakt, wat men vloed pleegt te noemen.' Men overleeft de tocht dankzij genoemde vloed, het idee van een holle aarde (waar blijft immers het water bij eb?) zouden we later trouwens onder meer terugvinden in Arthur Gordon Pym door de niet-Fries Edgar Allen Poe.

Kruistocht

In verschillende stukken in De Friese geschiedenis zien we Friezen om útens (Friezen buiten Friesland): tijdens een kruistocht in Egypte, tussen de Groenland-eskimo's in de achttiende eeuw, optrekkend in de Tiendaagse Veldtocht (1831), of als kaassmaak-instructeur aan het Turkse hof in 1908: `De kelder was lek en stond half vol rioolwater, de stoomketel die mij warm water zou verschaffen deugde niet, de ijskast die er was moest hersteld worden en de benodigdheden voor het pekelen der kaas dienden er ook nog te komen.'

De meerderheid van de stukken speelt zich wél in Friesland zelf af, een grondgebied dat weliswaar oorspronkelijk van Schelde tot de Deens-Duitse grens strekte, maar te moeilijk moeten we daar niet over doen zegt Huisman: de meeste stukken spelen in de tegenwoordige provincie Friesland. En daar gebeurt genoeg. Erg aandoenlijk zijn de angstige dagboeknotities van de Friese stadhouder Willem Frederik (1613-1664) over zijn buitenechtelijke band met Anna van Brederode. In 1649 noteert hij: `Ik heb het gedaan.' Als Anna enige tijd later haar ongesteldheid meldt, kan Willem Frederik wel een gat in de lucht springen: `Heb zijn goddelijke majesteit bedankt voor zijn goedheid en genade en ook [vooral, denk je dan] dat ze niet zwanger is.'

Een volgende keer gaat de stadhouder zover Anna's maandstonden te controleren, `zodat ik niet bedrogen kan worden'. Hij neemt zich opnieuw voor de relatie af te breken, maar het vlees is sterker dan de geest: `Ik heb het niet kunnen laten het te doen.' De Dronrijpse schoolmeester Hoyte Roucoma heeft een oplossing voor dergelijke problemen. Hij schrijft in zijn kroniek over de serie-overspelige plaatsgenoot Offringa: `Lub die stier, lub die stier! Zorg dat hij zijn ballen kwijtraakt. Hij maakt anders alle vrouwen zwanger!'

Klein leed, groot leed, de bloemlezer van De Friese geschiedenis maakt er een schitterende mix van. Natuurlijk vinden we de moord op Bonifatius (bij Dokkum? hm, misschien), de ruwe Friese bolster Grote Pier (pit blank, inderdaad), patriottische schending van Oranjelijken in 1795 (`Een der meest befaamde knapen werd zo verwoed, dat hij met de schenkels van de oude vorstin Maria Louisa heeft getrommeld'), het Engelse bombardement van Lemmer (1799), de verrassende wending (1950) in de wedstrijd Heerenveen-Ajax (met Abe Lenstra en Rinus Michels: Heerenveen wint vanuit 1-5 achterstand), provinciale woede bij de benoeming van Hans Wiegel tot commissaris der koningin (1982).

Overvloedig vuur

Bijzonder fraai is ook een meteorologische passage: `In 1520 in de late herfst viel hier in Friesland het vuur van de hemel: in de buurt van Sneek tot aan de Woudkant toe. Het hing in grote lange kolommen in de lucht en spatte ten slotte naar de aarde. Dat er zoveel overvloedig vuur in de lucht viel was goed om de lucht te zuiveren, maar het is niet goed dat er zoveel materie of vuur in de lucht zit, want het betekent soms oorlog of pestilentie.'

Maar waren de Friezen nu gehoorzaam of niet? De socialistische schrijver van Een ernstig woord aan de Jongelingen van Terwispel (1890) meent dat het slavendom niet bij de Fries hoort: `Friezen, stoere Friezen, weet ge wat uw naam betekent? Fries is vrij! Welnu Friezen, zijt ge vrij? Nee immers!' Domela Nieuwenhuis biedt `verlossing', zo gaat de redenering verder, de jongelingen moeten hem dus steunen.

De kaperkapitein Grote Pier is vaak als voorbeeld van de Vrije Fries gesteld. Mooi. Kerst Huisman laat de monnik Peter Jacobszoon aan het woord, die in zijn Historie van Vrieslant over Grote Pier schrijft: `Hij was grof en plomp van taal en wezen. Hij kon niet goed spreken voor de rechter of voor heren, maar dat kwam mede voort uit zijn grove, Friese opwellingen.'

Dwars volk, die Friezen: ze denken het op zijn minst zelf. Nog in 1951 spreekt Leeuwarder Courant-hoofdredacteur Piebinga een Friese protestmenigte toe: `Vaders, moeders, boerenarbeiders, kruideniers, schippers, jullie allen sta tezamen als Friezen. Twintig eeuwen van Friese strijd zien op jullie neer. En zouden jullie dan niet strijden?'

Je zou toch bijna zeggen dat Tacitus de opstand daar aan de overkant van de Rijn in het jaar 28 niet helemaal goed heeft beoordeeld.

Kerst Huisman: De Friese geschiedenis in meer dan 100 verhalen. Van Gennep, 332 blz. €18,--