Lichtvoetig het verlies dragen

Het openingsgedicht zet meteen de toon: `Zo, je bent nu wel aardig gekrompen / in je graf.' Tien regels verder blijkt wie hier wordt toegesproken, en later in de bundel ook hoe dat broertje aan zijn eind is gekomen.

Mijn broer heeft in mei zijn hoofd laten

kaalscheren,

hij werd er erg mooi van, hoewel ik hem eerst niet herkende

Daarna werd hij in de stad overreden door

een auto,

van zijn racefiets geslingerd, bloedend,

zijn hoofd...

Allemaal beloftes van het leven, dat hij

niet zou sterven,

thuis was de tuin toch al zo explosief,

en was hij niet prachtig?

Liefdevolle herinnering wordt hier even nuchter als romantisch aan de natuur gekoppeld. Tegelijkertijd is er een elegische ondertoon die, in weerwil van de titel `No dream impossible', zich zinnelijk loszingt in de slotregels van het gedicht:

Zijn lichaam, zijn dijen, zijn geurige scrotum,

zijn zwarte haar, zijn billen, allemaal

zomerse beloftes waren het

Beloftes, maar ze zijn niet ingelost. Vrijwel alle gedichten in de nieuwe dichtbundel van Carla Bogaards gaan over wat losgelaten moest worden en zich niet terug laat roepen. `Daar, dat is mijn moeder' opent het tweede vers van Kleine hittegolf in mei. De volgende regel al ontkent de herkenning: `Nee je moeder is al langgeleden gestorven.' En ook de oudste broer, het jongere broertje en de vader blijken al begraven.

Zoals in het eerdere werk van Bogaards, speelt God in dit Amsterdamse dodenboekje een verlossende rol. God is in deze poëzie een goede god, met een bladgouden hart. Een god die aan het slot van `Ach, een gedicht voor Henk en Jan' een boek openslaat en als voorbeeld een gedicht van Paul Rodenko voorleest, dat de dood van beide broers in een verlicht register plaatst. Een god met humor, die moet lachen als de duivel hem in Bogaards' overpeinzingen overtroeven wil.

Alle doden ten spijt, is Kleine hittegolf in mei een lichtvoetige bundel. Uitnodigend ook. De dichter lijkt wel steeds in zichzelf te praten, maar haar gedicht is geen monoloog. Soms is er een verborgen gesprekspartner, die meepraat maar vaker nog tegenspreekt. Of er is een publiek, waartoe de lezer zich rekenen mag. Een publiek dat wordt toegesproken met inzetten als `Nee' en `Heus'. En negenentachtig bladzijden lang is er die verlokkende, wentelende beeldspraak, zoals in de eerste coupletten van `Jonge koninginnen'.

Grieten waren we, blond met blauwe ogen,

we reden op ezels langs

de vloedlijn, en de golven leken op

palmtakken, zo groen en de

branding bruiste als bronwater, zo licht

als de dag.

We waren niet blond, we waren donker

met donkere ogen.

We waren niet wat jij zegt: het is een

schilderij van Isaac Israëls,

kijk de ezeltjesoren, de oren in de nek.

Ik zou liever willen dat het leven zich voegt, alsnog,

wassende maan, eb en vloed.

Nee, ik weet het al, het zijn mijn dochtertjes,

ze dragen

zonnehoedjes. Zie je hun ogen schitteren?

Bogaards heeft het patent op dit soort beeldende lyriek, en ook op de wispelturige ommezwaai van beeld naar ego, zoals die zich tussen het tweede en derde couplet voltrekt. Bogaards' poëzie wemelt van zulke `excursies', en soms gaat het daarmee fout. De drie volgende coupletten van `Jonge koninginnen' spreken in de tale Kanaäns over God en de wateren. Het gedicht ontspoort dan, omdat God hier geen verlosser blijkt, maar stoorzender. De drie slotcoupletten herroepen het beeld van de zee en de ezeltjes, maar hoeveel lezers zitten dan nog in de kerkbank?

Ontspoort `Jonge koninginnen' omdat Bogaards een hinderlijk register opentrekt, bij `Krijgszang' gebeurt het omgekeerde. De schaakmetafoor wordt daarin zo lang volgehouden dat ik afhaak – niet omdat ik niet van schaken houd, maar omdat de metafoor zich al na twintig regels als een hol staketsel openbaart. Maar tegenover deze twee zwakke teksten staat een tiental ijzersterke. En vrijwel altijd is er een verrassende opening: een overpeinzing, een `Natureingang' of een citaat, zoals in `De beleving':

Er was eens een oude vrouw in een tehuis

die zei: Alleen maak je je bed toch niet vuil,

als je alleen bent, wat zal je bed nog vies

worden,

als je geen man meer hebt,

Het is nauwelijks voor te stellen dat dit poëtische stof is voor een dichter die, als ze langs zee loopt, de vissen hoort lachen en zich afvraagt of er om haar wordt gelachen: `Om mijn romantische zieltje? / Mijn naar harmonie snakkend leventje?'

Romantisch, hooggestemd of zelfs hoogdravend zijn etiketten die je Bogaard soms wel op kunt plakken, maar geen van die etiketten houdt langer dan één gedicht. Kleine hittegolf in mei is thematisch een eenheid, maar Carla Bogaards trekt een verscheidenheid van registers open: van nuchter naar romantisch, van plat naar verheven, van vrolijk naar droef. Soms ook is er regelrechte, onsentimentele ontroering. Exemplarisch is het slotcouplet van `Bronsttijd', waarin `pappa' wordt toegesproken. Na achtentwintig inleidende regels krijgt het verlangen dat dit dodenboekje adem gaf een stem:

Maar als u merkt dat ik stik,

als het spinnenweb mijn mond en neus

afsluit,

keer dan met mij in uw armen

terug naar de doden,

leg me terug in haar schoot.

Carla Bogaards: Kleine hittegolf in mei. Meulenhoff, 89 blz. €14,50