`In Thailand drugs kopen is heel erg stom'

Twee Nederlandse heroïnesmokkelaars werden gisteren onverwachts vrijgelaten uit hun Thaise cel. `Ik ga iedereen waarschuwen om dit nooit te doen'.

Eerder dan verwacht stonden ze gisteren opeens op straat: Pedro Ruyzing en George Ofosuhene. Twee Nederlanders die negen en elf jaar geleden naar eigen zeggen ,,ontzettend stom'' zijn geweest door in Thailand heroïne te gaan smokkelen, gepakt werden en gevangenisstraffen kregen van veertig en vijftig jaar. Uit te zitten in de gevreesde Bang Kwang gevangenis in de hoofdstad Bangkok. Totdat koningin Beatrix deze week op staatsbezoek kwam. ,,Ik zag haar de hele week op televisie'', vertelt Ruyzing. ,,Een paar dagen is ze hier en nu ben ik vrij. Het is ongelooflijk. Negen jaar weggegooid.''

Ruyzing en Ofosuhene kregen gisteren te horen dat de koning van Thailand hen gratie had verleend. ,,Toen kwam een bewaker naar onze cel en zei: `Je bent vrij.' Ik dacht dat het weer zo'n rotstreek van ze was, maar ik moest knielen voor een portret van de koning en bedanken en toen daarvan een foto werd gemaakt, wist ik dat het allemaal waar was'', vertelt Ruyzing.

Minister Ben Bot van Buitenlandse Zaken liet gisteren weten dat hij overeenstemming had bereikt met de Thaise minister van Justitie over vrijlating van de twee gevangenen. Maar het zal nog een kleine week duren voordat ze in Nederland zijn. ,,De ambassade heeft een ticket geboekt voor woensdag 28 januari'', zegt Ruyzing, ,,maar ik wil nu naar huis. Negen jaar is lang genoeg. Ik wil weer op de taxi.''

De 45-jarige Ruyzing, van top tot teen bedekt met tatoeages, kreeg gisteren te horen dat zijn vader in Nederland zeer ernstig ziek is. ,,Hij heeft kanker. Ik ben zo bang dat mijn moeder het allemaal niet aan kan: mijn vader op sterven en ik bijna in Nederland. Ja, bijna. Waarom haalt niemand ons op?''

De twee mannen zijn van de Bang Kwang gevangenis overgebracht naar het politiebureau aan de overkant van de weg. Daar wachten ze op het moment dat de Thaise autoriteiten hebben gecontroleerd of ze geen openstaande zaken meer hebben en hen op het vliegtuig naar Nederland zetten.

Ruyzing en Ofosuhene zijn in de eerste uren na de bekendmaking vrijwel in shock. Euforie over de vrijlating – ,,ik geloof niet in God, maar nu begin ik te twijfelen'' – maakt plaats voor depressie doordat ze dicht bij die vrijheid zijn, maar nu toch nog één nacht door moeten brengen tussen lijmsnuivers en gauwdieven. ,,En deze cel hier is smeriger dan in Bang Kwang'', zegt Ruyzing, ,,vol vliegen en de ventilator doet het niet.''

Ofosuhene, een Ghanees met een Nederlands paspoort die geen Nederlands spreekt en gebrekkig Engels, kan niet veel meer uitbrengen dan ,,it's a dream''. Hij zegt dat hij naar Nederland wil, zijn schulden zal afbetalen en zal leren van zijn fouten. Dat laatste geldt ook voor Ruyzing: ,,Ik ga alle scholen in Nederland af om te vertellen over wat ik hier heb meegemaakt. Ik wil jongeren waarschuwen: `Wees nooit zo stom als ik door met heroïne door Thailand te gaan slepen'. Het is het niet waard. Niets is negen jaar in deze ellende waard. Daarbinnen besta je niet, je probeert alleen maar te overleven.''

Al die jaren kregen de twee elke maand bezoek van iemand van de Nederlandse ambassade in Bangkok. ,,Eén keer niet. Toen kreeg ik een keurige brief van `meneer Ruyzing, deze maand zijn we helaas niet in staat u te bezoeken'. Ik heb alles wat over ons geschreven is in Nederland gelezen en al die kritiek op de ambassade hier is volkomen onterecht. Ze hebben enorm hun best gedaan voor mij. Ik heb een batterij in mijn hoofd en al die bezoeken, ook van bijvoorbeeld stewardessen en piloten van de KLM, hebben die batterij opgeladen.''

Dan wil de bewaker van het politiebureau eens gaan slapen. Hij leidt Ruyzing en Ofosuhene terug de cel in en maakt het zich gemakkelijk op een rij stoeltjes. Vanachter het tralies maken de twee Nederlanders victoriegebaren. ,,Morgen zijn we écht vrij'', schreeuwt Ruyzing. ,,Ik kom eraan.''