In de filmhuizen

Het gaat goed met de filmhuizen, zei de directeur van een filmhuis. Steeds meer mensen komen tot het inzicht dat als je één blockbuster hebt gezien, je ze allemaal hebt gezien, althans van een zeker genre. Want in het algemeen gezegd: geen buster zonder veel tegen elkaar aanrijdende auto's, oranjekleurige ontploffingen, instortende wolkenkrabbers, en vooral mensen die elkaar mishandelen, met machinegeweren, revolvers, hun vuisten. Daarvan, heeft de psychologie bewezen, wordt de jeugd volstrekt niet op het verkeerde pad gebracht. Juist dieper doordrenkt van het waarden- en normenbesef kom je de bioscoop weer uit, en dan ga je naar het café om een breezer of een biertje te pakken, omdat je in de reclame hebt gezien dat je daar nog meer van opknapt.

Daarom is de herleving van de kleine bioscoop zulk goed nieuws. Voor de avant-garde van nu, maar ook voor de geschiedenis. Want zo krijgen we weer de kans cinematografische klassieken van vroeger te zien. Om voor de hand liggende redenen dacht ik aan Blackboard Jungle, een film van Richard Brooks, met o.a. Glenn Ford en Anne Francis. Het gaat over een middelbare school in een achtergebleven wijk in New York. Leerlingen die permanent in opstand zijn. Nadat een jongen heeft geprobeerd een lerares te verkrachten en dus aan de politie wordt overgeleverd, breekt de oorlog tussen scholieren en leraren uit. De film begint met beelden van het schoolplein, waar het naderend onheil al van het doek straalt. De begeleidende muziek is van Bill Haley and his Comets, Rock around the Clock. In 1956 kwam Blackboard Jungle in Nederland, waar we nog nooit van achtergebleven wijken hadden gehoord. Alleen jongeren die op de radio het American Forces Network en de commerciële zender in Luxemburg konden vinden, wisten wat rock `n roll was. Blackboard Jungle was een openbaring. De burgemeester van Apeldoorn had als enige begrepen dat er dynamiet in verborgen was. Hij verbood het meesterwerk. Graag zou ik nu, bijna een halve eeuw later, willen zien hoe herkenbaar, of hoe verouderd deze film is. Iets voor een filmhuis.

Der Blaue Engel van Josef von Sternberg, met Marlene Dietrich en Emil Jannings heeft een zekere actualiteit. De leraar wordt verliefd op de nachtclubzangeres en gaat zijn wisse ondergang tegemoet. Zo verschrikkelijk en onafwendbaar dat het je soms moeite kost naar die arme man te blijven kijken. En cas de malheur, met Jean Gabin en Brigitte Bardot, ook niet slecht. Maar ik dwaal af.

De Amsterdamse bioscoop De Uitkijk had indertijd twee vaste nummers. Het ene jaar werd de Robber Symphony van Friedrich Feher gedraaid; de zoektocht naar een schat in een oude kous, verstopt in een piano. Het andere jaar was de Dreigroschenoper van Georg Pabst aan de beurt, de filmversie van Bertold Brechts toneelstuk, waarin dramatisch wordt uitgelegd hoe onder de toen geldende omstandigheden de uitbuiters en de souteneurs het in nauwe samenwerking met de politie voor het zeggen hadden. Muziek van Kurt Weil. Aan het slot wordt het drama in een paar kwatrijnen samengevat. Ik citeer het voorlaatste: `Denn die einen sind im Dunkeln, Und die andern sind im Licht, Und man siehet die im Lichte, Die im Dunkeln sieht man nicht.'

Merkwaardig. Nergens wordt deze weer brandend actuele film nog gedraaid. Een paar jaar geleden had ik ergens een kopie geleend, maar van een zo treurige kwaliteit dat ik er spijt van had, te hebben gekeken. En ik weet niet hoe dat gekomen is, maar in de film ontbreekt één lied, ook met melodie van Kurt Weil, waarvan ik nog steeds niet begrijp dat Pabst het er niet heeft kunnen inpassen. Dat is Die Ballade von der sexuellen Hörigkeit. Er bestaat (hoor ik) een cd waarop Lotte Lenya het zingt, maar die ken ik niet. Wel een latere versie, met Nina Hagen. Ze heeft er plezier in. `So mancher Mann sah manchen Mann verrecken: Ein grosser Geist blieb in `ner Hure stecken!' Enzovoort.

Vroeger (daar heb je het weer) maakten ze er een mooi toneelstuk of een film van. De Driestuiversopera terug in het filmhuis!