Harde noten

Ik begrijp eerlijk gezegd niet waarom het rapport van de commissie-Blok door jan en alleman, politici voorop, te soft wordt gevonden. Omdat de commissie het waagt te zeggen dat veel allochtonen volwaardige Nederlandse burgers zijn die uitstekend meedraaien in hun en onze samenleving? Dat is toch gewoon zo? Omdat de commissie het aandurft op te merken dat er op de Nederlandse arbeidsmarkt gediscrimineerd wordt? Dat is ongetwijfeld ook waar.

Veel werkgevers en personeelsmanagers zijn geneigd om bij overigens gelijke geschiktheid de voorkeur te geven aan een werknemer die accentloos Nederlands spreekt en tamelijk foutloos Nederlands schrijft. Veel werkgevers zullen niet staan te trappelen om Marokkaanse jongeren aan te stellen, na alle reportages en krantenberichten over het wangedrag van een substantiële groep criminele Marokkaantjes. Dat valt die werkgevers en personeelsmanagers niet kwalijk te nemen, maar het is evenzeer waar dat goedwillende medelanders gedupeerd worden door deze houding. Daar miszegt de commissie dus helemaal niets mee.

Wie meent dat het Nederlandse beleid in het algemeen en het minderhedenbeleid in het bijzonder er te goed vanaf komen, heeft het rapport-Blok niet gelezen. Zo kunnen we uit het rapport leren hoezeer de geneigdheid van sommige allochtone groepen om zich terug te trekken in eigen kring en bij elkaar te gaan wonen, van overheidswege is bevorderd en gestimuleerd, soms met de beste bedoelingen en soms ook uit pure onachtzaamheid. Uitvoerig valt te lezen hoe organisaties van en voor minderheden werden opgezet en gesubsidieerd en werden opgenomen in typisch Nederlandse koepelstructuren voor overleg en belangenbehartiging.

Wie meent dat dergelijke constructies vooral werden bedacht in de prehistorie van het minderhedenbeleid de diepe jaren '70 of desnoods de vroege jaren '80 leert van de commissie-Blok dat dit niet klopt. Nog in 1997 trad een nieuwe Wet overleg minderheden in werking. In de nota Integratie in het perspectief van immigratie uit 2002 werd gehamerd op het belang van ,,gestructureerd overleg met leden van de etnische groepen''.

Ook in het onderwijs is de gerichtheid van allochtonen op de eigen kring door overheidsbeleid bevorderd. Om voor extra financiering voor allochtone leerlingen in aanmerking te komen, moest een school ten minste 9 procent achterstandsleerlingen hebben, wat mogelijk een profilering als zwarte school kan hebben versterkt. Op zichzelf goede initiatieven als de `voorschool' leidden tot een vanzelfsprekend doorstromen naar de bijbehorende zwarte basisschool. De commissie had er nog op kunnen wijzen dat het ontstaan van islamitische scholen in Nederland niet alleen een onvermijdelijke consequentie was van artikel 23 van de Grondwet, maar ook mogelijk werd gemaakt door de criteria voor het stichten van nieuwe bijzondere scholen zowel in het basis- als in het voortgezet onderwijs te versoepelen (dit inzicht komt van de socioloog Ruud Koopmans, die door de commissie uitvoerig werd gehoord).

De belangrijkste oorzaak van de segregatie in het onderwijs is evenwel niet het onderwijsbeleid of het vermaledijde artikel 23, maar de huisvesting van verschillende bevolkingsgroepen. Ook hier is het frappant om te lezen hoe de segregatie door beleid is bevorderd en door het nieuwe beleid van de minister van VROM vermoedelijk nog verder zal groeien. De commissie citeert meneer Stoové, voormalig ambtenaar bij het ministerie van CRM de voorloper van het huidige VWS): ,,CRM heeft, toen er sprake was van de eerste gezinsherenigingen, gepleit voor [...] een vorm van spreiding over het land van de buitenlandse migrant. Dat was echter een non-issue: daar mocht je het niet over hebben.'' In veel gemeenten werd desondanks aanvankelijk een meer of minder officieel spreidingsbeleid gevoerd, maar die spreiding werd door het rijk verboden of op z'n minst ,,nadrukkelijk afgewezen''. Spreiding door woningcorporaties werd eveneens ontoelaatbaar verklaard.

In 1997 werd, in het kader van het grotestedenbeleid, een poging ondernomen om te komen tot een evenwichtiger bevolkingsopbouw, maar in 2000 stapte de overheid daar al weer vanaf en constateerde men in een nota Mensen, Wensen, Wonen dat een eenzijdige bevolkingsopbouw helemaal geen probleem hoeft te zijn. De commissie-Blok benadrukt dat de liberalisering van de woningmarkt en de aangekondigde verhoging van de huren en verlaging van de huursubsidie de situatie alleen nog maar erger zullen maken. Wil je het nog vernietigender hebben?

Ik ben het wel eens met critici die zeggen dat de aanknopingspunten voor nieuw beleid in het rapport niet genoeg uit de verf komen. Die aanknopingspunten zitten er niettemin wel in verstopt. In middelgrote gemeenten zal moeten worden gestreefd naar spreiding in het onderwijs, met de daarbij noodzakelijke quota, die juridisch nog veel getob zullen veroorzaken. In de grote steden is het voor een dergelijk beleid te laat; daar zouden de quota veel te hoog uitvallen.

Ik zie politici nog niet aan witte middenklasse ouders in Amsterdam of Rotterdam uitleggen dat de 95 procent witte eliteschool van hun kinderen gaat veranderen in een fifty-fifty school. Dat vraagt een veel te groot offer. In grote steden betekent spreiding vooral verhuizing van allochtonen naar de randgemeenten, die nu vaak niet goed toegankelijk zijn voor sociaal-economisch minder bedeelden. Ook dat lijkt een forse opgave waar de politiek voorlopig wel mee vooruit kan.