Gek rokje

`Nederlands met een gek rokje aan' las ik in Boeken (09.01.04) over de poëzie-bloemlezing die J.M. Coetzee onlangs voor de Engelstalige markt samenstelde van zijn favoriete Nederlandse dichters. Vertrouwenwekkend was weliswaar dat Guus Middag de recensie had geschreven, maar aan deze kop zat toch een raar luchtje. Het stuk zwabbert vervolgens alle kanten op en lijkt vooral gevoed door schaamte en gêne. Mocht de Nederlandse poëzie blij zijn dat Coetzee zich over haar had ontfermd? Nee, daarover moet de recensent vooral giechelen, terwijl hij toch ook zelf van mening is dat de Nederlandse poëzie zich internationaal beschouwd met het beste kan meten.

Guus Middag beziet de bloemlezing vooral in het licht van de zojuist door Coetzee gewonnen Nobelprijs voor literatuur – eigenlijk hebben `ze' (de Nederlanders, hijzelf dus niet) nu ook een beetje de Nobelprijs gewonnen, en daar moet Middag heel erg om giechelen. Een beetje zoals een schoolmeisje giechelt dat een gedicht krijgt van een overduidelijk verliefde klasgenoot. De recensent weegt niet, argumenteert niet, hij voelt zich ongemakkelijk, alsof hij zelf een rokje heeft aangetrokken: de criticus als giechelende polemist. In plaats van in te gaan op de in de lead aangekondigde kwestie of poëzie goed kan worden vertaald, toont Guus Middag voornamelijk aspecten van zijn eigen psyche. Middag vindt de vertaling vervreemdend. Een vervreemdende werking lijkt me nu juist een kwaliteit van literatuur, maar Middag vindt het lastig dat `alle houvast is verdwenen', ofschoon er op de vertaling, zegt hij zelf, niets aan te merken is. Welke rechtgeaarde poëzieminnaar streeft naar houvast? Welke poëziecriticus wil vertrouwdheid?

Analytisch schiet de recensent hier simpelweg te kort, terwijl daar normaal zijn kracht ligt. Hij verschaft geen informatie, maar diskwalificeert met nauwelijks andere grond dan zijn eigen wankele gemoed. Vertel ons waarom poëzie vertalen zo moeilijk is, maar naast verlies van betekenis ook winst kan opleveren. Geef daar voorbeelden van. En wees gewoon eens blij en trots, ook als er wel iets aan te merken is op deze bloemlezing. Pas als Guus Middag ingaat op het werk van Faverey en de bloemlezing `loslaat', begint hij opnieuw te denken en schrijft hij mooie regels, waarmee hij ook een heel klein beetje de Nobelprijs verdient.