Geen tranen in Tanzlokal Jenseits

WENEN. Tanzlokal Jenseits. Die woorden zouden genoeg moeten zijn. Versleten rood pluche. Een discobal die twintig jaar oud is, gemengde clientèle, zeer gemengd. Veel harmonicamuziek.

Een koffer die ik in november ter reparatie aanbood in een kleine winkel in het centrum van Wenen voert mij terug naar het hart van Europa.

Excuses natuurlijk. Altijd ergens anders willen zijn, vooral: altijd bij andere mensen willen zijn, en altijd die mensen missen bij wie je niet bent.

De koffer was naar de fabriek gestuurd, maar de fabriek had hem nog niet teruggestuurd.

Dan maar Schloss Schönbrunn. Het toilet en de slaapkamer van de keizer bekeken. Het toilet valt tegen.

Een wandeling door de tuinen van de keizer, het lage zonlicht smeekt om een zonnebril. Moeders slepen een groepje kinderen door gore, halfgesmolten sneeuw. Er zijn ballonnen. Een verjaardagspartijtje waarschijnlijk. Ik vraag me af wie ze zien als ze mij zien, die moeders. IJdelheid is een constante factor in mijn leven.

De gore sneeuw brengt mij later op de avond op een idee: Tanzlokal Jenseits.

En dankzij Jenseits een hernieuwde kennismaking met het Nationaal-Socialisme. Sigi: een kleine, nogal onelegante neus, mooie haren, Balkanogen, grote boezem. Ongeveer mijn leeftijd.

Noem mij de duivel en ik ben je vriend. Zo makkelijk is het. Nu ben ik dus de vriend van Sigi.

Eerste hoofdstuk: Sigi en de muziek.

Mozart en Monteverdi zijn haar minnaars. In Wenen klinkt dat niet eens belachelijk, zoals in een klooster de zin `ik ben met God getrouwd' niet belachelijk zal klinken.

Van haar zakgeld koopt Sigi op haar achttiende een concertabonnement. De goedkoopste plaats blijkt een stoel dicht bij de orkestbak. Dat soort dingen wist ik niet, ik meende dat de goedkoopste plaatsen op het vierde balkon achterin waren.

Op die stoel naast de orkestbak gaat Sigi zitten, op die stoel komt ze tot leven, op die stoel smelt ze, in het hart van Europa is pathetiek een manier van leven.

Hier begint het lijden. Een violist draait zich bij herhaling om en kijkt naar Sigi. Mozart is een idee, pure muziek, redding misschien, sublimering ook dat, religie, maar iets ontbreekt: vlees. En daar zit een violist die de plaatsvervanger van Mozart op aarde zou kunnen zijn.

Op dat punt trek ik mij terug op het herentoilet. Mijn ogen prikken van de rook. Mannen: plaatsvervangers van Mozart op aarde.

Als plaatsvervanger heb je je plichten. Ik ben begonnen met luisteren, ik moet doorgaan met luisteren

Violist heeft vrouw en kind en wil daarom slechts één keer per maand voor plaatsvervanger van Mozart op aarde spelen, bij voorkeur in het appartement van een collega, een alleenstaande violist met bierbuik, maar als het echt niet anders kan ook in een goedkoop hotel.

,,Weet je wat zo gek is'', zegt Sigi, ,,ook uit violisten met bierbuik komt prachtige muziek.''

Na een jaar besluit de violist vrouw en kind op te geven om bij Sigi te zijn, altijd bij Sigi, nooit meer hotels en appartementen van violisten met een bierbuik die desondanks prachtig Mozart kunen spelen.

Maar tegen die tijd is Sigi verliefd op violist 2. Timing is alles in dit soort verhalen. Te laat, te vroeg, een werelddeel verderop, lijden is ook een kunst.

Vier jaar lang leeft Sigi halfgelukkig, want violist 2 is natuurlijk slechts Mozarts plaatsvervanger, bovendien leert hij haar accentloos Frans te spreken, dan sterft haar moeder aan huidkanker en gooit ze alle violisten de deur uit.

Tot zover Sigi en de muziek, vervolgens, we hebben het over half drie in de ochtend, doet het nationaal-socialisme onverwachts zijn intrede.

,,Mijn familie'', zegt Sigi, ,,zat diep, diep in het nationaal-socialisme''.

Ik zou kunnen zeggen, ,,de mijne ook''. Maar dat vermoedt ze natuurlijk al lang, Sigi is niet gek.

Ik zou om details kunnen vragen, dat lijkt me overbodig. Diep, diep zijn genoeg details voor één avond. Dan vraag je niet, welke rang hadden ze, wat was hun partijnummer?

,,Daarom hebben ze ook altijd zo moeilijk gedaan over hun Sloveense afkomst'', en ze wijst op haar Balkanogen.

,,Ach, Sigi'', zeg ik, ,,daar zeg je wat.''

En zij vervolgt met ,,ik zou je fantasie willen zijn''.

Van het nationaal-socialisme naar fantasie in iets meer dan één zin vind ik een moedige sprong, zelfs in Tanzlokal Jenseits. Bovendien begint het er altijd mee dat zij jouw fantasie willen zijn, maar het eindigt ermee dat jij hun fantasie moet zijn en dat zijn vaak fantasieën die net zo nauw luisteren als de dienstregeling van de Duitse spoorwegen.

,,Wat is vertrouwen?'' vraagt Sigi. ,,Vertrouwen is het vermogen zich te verheugen.''

Bij pathetiek uit het hart van Europa hoort een mondje milde filosofie.

,,Of vind je dat te intiem?'' Het is eerder een veronderstelling dan een vraag.

,,Intiem, intiem'', zeg ik, ,,na het nationaal-socialisme is alles intiem.''

Ze steekt de ene sigaret op met de andere. Necrofilie in Wenen is ganz lebendig.

,,Goed'', zeg ik, ,,toen alle violisten de deur uit waren gegooid, wat gebeurde er toen?''

,,Toen was ik weer alleen met Mozart en Monteverdi, die hebben me nooit in de steek gelaten. En af en toe een klassiek geschoolde zanger, maar dat was meer een tussendoortje.''

Daarna volgen in hoog tempo uiteenlopende onderwerpen.

Sigi en de viezigheid: ,,Ik houd van pannen met aangekoekte vetresten die eruitzien als een woestijnlandschap. Dat is net alsof je de National Geographic in je eigen keuken hebt.''

Sigi en het paard: ,,Mijn beste vriendin zegt, Sigi, ik heb zulke slechte gedachten, zulke vreselijke slechte gedachten, ik wil met een man naar bed. Ze lijkt op een paard en ze rijdt op een paard. Toch is ze heel succesvol, ze is woordvoerdster voor een grote Amerikaanse firma.''

Sigi en opnieuw het nationaal-socialisme, ditmaal in naoorlogse vorm: ,,Mijn vader was geen proletariër maar hij sloeg hard, daarom heb ik op mijn negende besloten nooit te huilen. Het doet mannen veel te veel plezier als je huilt, je maakt ze gek door niet te huilen.''

Gelukkig, geen tranen in Tanzlokal Jenseits. Een beetje nationaal-socialisme kan geen kwaad op een avond, maar je moet het niet overdrijven.

,,Ik was ook nog communist.''

,,Mozart heeft een vrouw als jij meer te bieden'', stel ik vast.

,,Zondag aanstaande'', zegt Sigi, ,,staan op het programma: Schumann, Szimanovski en Bruckner. Ga je mee?''

Je durft bijna niet te weigeren, Schumann, Szimanovski en Brucker. Ik ben zondag aanstaande niet meer in de stad. ,,Maar'', voeg ik eraan toe, ,,er zit vast een bijzonder aantrekkelijke violist in het orkest.'' Iets te zeker van mijn charme, wat mij misschien af en toe tot een onaangenaam mens maakt.

,,Ik heb een cd met muziek uit de Noordpool, als je me je adres geeft stuur ik je die op.''

,,Doe ik je aan een ijspegel denken?''

Sigi knikt.

,,Grappig'', zeg ik, ,,ik ken iemand die meende dat ik gemaakt was van woestijngrond. Misschien zijn we iets op het spoor.''

Maar toen was het al half vijf, het mocht geen naam meer hebben.

Het werd tijd het gesprek af te ronden, de intensiteit van het verhoor kan niet eindeloos worden gerekt, zeker niet met tranende ogen van de rook.

,,Dus je laat Schumann schieten?''

Ook Schumann laat ik schieten. Ook die moeten worden opgeteld bij het rijtje `laten schieten'.

,,Ik stuur je een sms-je'', zegt Sigi, ,,dan heb je mijn telefoonnummer.''

We staan op.

Tanzlokal Jenseits blijft een aanbeveling.

,,Ik denk dat we elkaar niet meer zien'', zegt Sigi.

,,Sigi'', zeg ik, ,,dat is intimiteit na het nationaal-socialisme. Een kort maar vluchtig gedicht. Een haiku.''

Eigenlijk vind ik mezelf wat ze in het Duits `ein Arschloch' noemen. Om vele redenen.

Zo blijf je bezig. Er is altijd wat goed te maken.

,,We sms-en'', zeg ik. ,,En vergeet niet, ook uit kale violisten met een bierbuik kan de mooiste muziek komen. Dat is hoop voor mensen zoals wij die gemaakt zijn van woestijngrond.''