Franstaligheid is niet langer Frans

In Franstalige literatuur van nu. Een vreemd soort geluk geeft Margot Dijkgraaf een mooi en gevarieerd panorama van de Franse literatuur van de jaren negentig, of beter, het proza van het afgelopen decennium, want dichters en toneelschrijvers komen in dit overzicht niet voor. In grote lijnen vormt het de neerslag van Dijkgraafs werk als literair criticus voor deze krant, zij het dat ze voor deze gelegenheid de stukken die ze schreef, opnieuw heeft geordend en op bepaalde punten heeft herzien en uitgebreid.

Bijzonder gelukkig is de manier waarop de meer essayistische stukken en de interviews tot een geheel zijn samengevoegd, zoals in het uitgebreide stuk over Catherine Millet, de schrijfster van de internationale bestseller La Vie sexuelle de Catherine M (2002). Eerst legt Dijkgraaf een verband tussen Millets erotische avonturen en die van de achttiende-eeuwse libertijnse roman, waarbij er overigens wel sprake is van een essentieel verschil. Want terwijl Millet een zo groot mogelijke openheid betracht ten aanzien van haar seksuele escapades, zo huldigt de libertijnse markiezin uit Les Liaisons dangereuses (1782) van Choderlos de Laclos juist het principe dat een dame zich alles kan permitteren, mits ze er niet over spreekt. Vervolgens zoomt Dijkgraaf in op het uiterlijk en de persoon van Catherine M – `elegant, zo op het oog fragiel, maar in wezen onverzettelijk'– om haar tenslotte zelf aan het woord te laten. Het hoofdstuk eindigt, niet zonder ironie, met een interview met Jacques Henric, oftewel, `de man van'. Om Dijkgraaf te citeren: die, meeliftend op het succes van zijn vrouw, een boek met naaktfoto's van haar publiceerde.

Houellebecq

Ook in de andere, wat langere stukken, over onder anderen Michel Houellebecq, J.M.G. Le Clézio en Andreï Makine, werkt de mix van essay en vraaggesprek uitstekend: ze zijn informatief en levendig, en nodigen daarmee zeker uit tot lezen. Verrassend is ook het hoofdstuk over de literatuur van Québec, waar niet langer de strijd tegen de overheersing van het Engels het belangrijkste literaire thema vormt, maar de problematiek van de nieuwkomers, die zich binnen de minderheid van de Franssprekenden, als een soort minderheid in het kwadraat manifesteren. Als voorbeeld noemt Dijkgraaf onder anderen de Braziliaan Sergio Kokis, waarmee het vertrouwde beeld van een wereld van sneeuw en ijs ineens een tropisch tintje krijgt.

Daarmee raken we aan een belangrijk aspect van Dijkgraafs boek: de plaats die zij aan de Franstalige literatuur toekent, ten opzichte van de literatuur uit Frankrijk zelf. Deze kwestie is even actueel als ingewikkeld, al is het maar omdat het verschil tussen die twee vaak verre van duidelijk is. Wat te doen, bijvoorbeeld, met al die Frans-Algerijnse schrijvers die, vanwege het ontbreken van een adequaat uitgeversapparaat in eigen land, hun boeken voor het overgrote deel in Frankrijk publiceren, of met een schrijfster als Marie NDiaye, van wie het werk zich, in weerwil van haar exotisch klinkende naam, niet wezenlijk van dat van haar autochtone collega's onderscheidt?

Dijkgraaf maakt zich er op dit punt wat al te gemakkelijk van af door de hoofdredacteur van het tijdschrift Lire, Pierre Assouline, te citeren, die stelt dat het ware vaderland van een schrijver wordt gevormd door diens taal. Deze uitspraak wordt niet alleen gelogenstraft door de manier waarop dergelijke `burgers van de Franse taal' vaak door hun `landgenoten'-douaniers bejegend worden wanneer ze hun spirituele vaderland daadwerkelijk willen betreden, bijvoorbeeld via het Parijse vliegveld Charles de Gaulle, maar staat ook haaks op de opvattingen van enkele in het boek geciteerde schrijvers. Zo verklaart de Frans-Canadese Marie-Claire Blais, dat ze zichzelf meer als een schrijver van het Noord-Amerikaanse continent beschouwt dan als een schrijver uit Québec. Een soortgelijke opvatting werd gehuldigd door de onlangs gestorven Ahmadou Kourouma uit Ivoorkust. Tenslotte wijst ook de door Dijkgraaf geciteerde uitspraak van Calixthe Beyala uit Kameroen in dezelfde richting: `De Fransman is Franstalig, maar Franstaligheid is niet Frans.'

Beyala vormt ook in een ander opzicht een aardig voorbeeld van de verschuivingen die zich op dit moment binnen de Franse literatuur voltrekken. Ze werd verschillende malen aangeklaagd wegens plagiaat, door onder anderen Booker Prize-winnaar Ben Okri, een Engelstalige schrijver die, net als Beyala, afkomstig is uit Afrika. De schrijfster pareerde de beschuldigingen aan haar adres met de op het eerste gezicht nogal cryptische uitspraak: `De geschiedenis is van iedereen.' Ze verwees daarmee naar de in de Afrikaanse traditie nog springlevende, orale literatuur. Of Beyala in dezen het recht aan haar kant had of niet, doet niet zozeer ter zake. Belangrijker is dat mét de opkomst van een Frans-Afrikaanse letterkunde ook andere culturele waarden hun plaats opeisen binnen de Franse literatuur. In dit geval gaat het om een verschil van opvatting met betrekking tot het literaire eigendom, maar het geldt evenzeer voor de wijze waarop in het werk van deze niet-westerse auteurs de geschiedenis van, bijvoorbeeld, de slavernij en het kolonialisme worden verbeeld.

Boekenbeurs

Anders dan Margot Dijkgraaf denk ik dat er in de huidige situatie geen enkele reden is om de Franse literatuur nog als een geheel te willen zien. Wat is er eigenlijk mis met een reeks als `Continents noirs', zoals die door Gallimard wordt uitgegeven? Een bezoek aan een Canadese of een Afrikaanse boekenbeurs leert dat er vandaag de dag niet langer sprake is van een Franse literatuur, maar van een aantal Franse literaturen. Zo neemt in de schappen van de grootste boekwinkel van Dakar (Senegal) de Franse literatuur van Frankrijk slechts een bescheiden plaats in. De literaire gebeurtenis die er op dit moment de meeste aandacht krijgt, is niet het honderdjarig bestaan van de Prix Goncourt, maar de verschijning van de biografie van een van de grand old men van de Senegalese literatuur, Scheikh Hamidou Kane.

De conclusie die hieraan te verbinden valt, is dat de Franstalige literatuur eindelijk volwassen is geworden en dat er nu, naast een Spaanstalige literatuur van Latijns-Amerika, ook een Franstalige literatuur van het Amerikaanse en het Afrikaanse continent bestaat. Het is mogelijk dat deze waarheid nog niet tot de Parijse burelen van het tijdschrift Lire is doorgedrongen, maar in Montreal, Dakar en Pointe-à-Pître weten ze het allang.

Margot Dijkgraaf: Franstalige literatuur van nu. Een vreemd soort geluk. De Geus, 350 blz. €27,50