Droom van de Amerikaanse boerenzoon

Ondanks zijn miljardenomzet is de grootste tractorfabrikant ter wereld, John Deere, nog altijd afhankelijk van het weer. Met flexibele productiemethodes hoopt het concern ook de opmars van landbouwmachines uit lagelonenlanden te kunnen weerstaan.

Aan de oever van de Mississippi in East Moline torent een groot glazen gebouw boven het water uit. Hier staat een van de vijf meest bezochte toeristische attracties in de Amerikaanse staat Illinois: het John Deere Pavilion. Dat is geen pretpark en ook geen historisch monument. Het is een tentoonstelling over tractors.

Hier ligt namelijk het agrarische hart van de VS, en de droom van alle boerenzonen in dit gebied is om ooit een eigen John Deere tractor te bezitten. Tot het zo ver is, kunnen ze zich in het paviljoen vast vergapen aan oude en nieuwe tractors en zelf plaatsnemen in de cabine van een splinternieuwe maaidorser, een machine om graan mee te oogsten. Zo'n cabine is een soort cockpit vol met lampjes, knopjes en metertjes. Een boordcomputer die in verbinding staat met een satelliet, bepaalt de exacte positie van de machine, om ervoor te zorgen dat die precies recht blijft rijden. En een met hydraulische cylinders aangestuurde `zwevende' stoel corrigeert de hobbels op het land, waardoor de chauffeur geen last heeft van schokken.

De maaidorser is een van de vele landbouwmachines die John Deere in East Moline in het negentig hectare grote fabriekscomplex Harvester Works maakt. In hetzelfde stadje staat ook het hoofdkantoor van 's werelds grootste producent van tractors, zaai- en oogstmachines en andere landbouwwerktuigen. Wereldwijd werken er 43.000 mensen bij John Deere, van wie 26.900 in Noord-Amerika. Tractors en landbouwmachines zijn goed voor de helft van de 15,5 miljard dollar omzet, de rest komt onder meer uit grasmaaiers, gravers, bulldozers en bosbouwmachines.

Ruim tweehonderd kilometer verderop, in de staat Iowa, liggen de 129 hectare grote Waterloo Works, John Deere's grootste productielocatie. Hier maken zo'n 5.000 werknemers, verspreid over vier fabrieken, de tractors van John Deere. Ongeveer de helft van alle onderdelen – het zware metaalgietwerk, de motor en alles wat met aandrijving en besturing te maken heeft – maakt John Deere zelf, de rest komt van toeleveranciers. Sinds het 175 jaar oude bedrijf – John Deere begon in de negentiende eeuw als smid – in 1918 naast ploegen ook tractors ging produceren, rolden er in Waterloo 2,3 miljoen van de band.

John Deere is marktleider in de VS en nummer twee in Europa, na Fiat-dochter CNH (voorheen New Holland). Desondanks wist John Deere zijn sterke marktpositie de afgelopen jaren niet te verzilveren. Het concern boekte de afgelopen jaren lage winsten. Terwijl de winstmarge het grootste deel van de jaren negentig op 7 à 8 procent lag, lag die de laatste jaren rond de 2 procent. In 2003 ging het weer wat beter en verdubbelde de winstmarge tot 4,8 procent. ,,Met onze producten was niks mis, maar onze productiemethode was niet efficiënt genoeg'', zegt Michael Johanning, directeur Tractor Marketing bij John Deere.

De fabriek in Waterloo is daar een goed voorbeeld van, zegt Johanning. ,,We werkten hier in een heleboel verschillende gebouwen van soms wel honderd jaar oud, die niet logisch waren ingedeeld. Bovendien maakten we alle onderdelen van de tractors zelf. Nu hebben we al onze productie en assemblage op vier locaties geconcentreerd en de productie van een groot aantal eenvoudige onderdelen uitbesteed aan toeleveranciers. We maken alleen de hoogwaardige delen nog zelf.''

John Deere heeft ook zijn voorraden fors teruggebracht – onderdelen worden nu pas geleverd als ze ook nodig zijn – en de productietijd van een tractor ging omlaag van 33 naar 6 dagen. De eindassemblage neemt minder dan tien uur in beslag, wat neerkomt op een halvering van de tijd.

Maar de belangrijkste verandering is dat de productie variabel is gemaakt. Werden er in het verleden het hele jaar door ongeveer evenveel tractors gemaakt, nu schommelt de productie met de conjunctuur mee. ,,We hebben onze productie beter afgestemd op de vraag. We maken een tractor nu pas als hij ook is verkocht.'' Gevolg: nooit meer tractors in voorraad dan strikt noodzakelijk en geen prijserosie meer door overproductie. Maar ook: geen werk meer voor het personeel als er even wat minder vraag naar tractors is. ,,Afhankelijk van de orders die binnenkomen, verhogen of verlagen we de productie. Als de vraag zwak is, gaat de fabriek soms een paar weken dicht. In de contracten met onze werknemers is geregeld dat dat kan.''

Zo draaiden de fabrieken in East Moline en Waterloo afgelopen zomer enige tijd slechts op halve capaciteit en gingen ze een paar weken zelfs helemaal dicht. De productie stilleggen is wel een kostbare zaak, erkent Johanning, want de vaste kosten van het machinepark lopen gewoon door. ,,Maar we sluiten liever tijdelijk dan dat we de markt overspoelen met tractors.''

Voor John Deere bleek deze werkwijze een uitkomst. De vraag naar landbouwmachines fluctueert namelijk behoorlijk en is sterk onderhevig aan seizoensinvloeden. Kort na de graanoogst is er bijvoorbeeld weinig vraag naar nieuwe maaidorsers. De rest van het jaar hangt veel af van de financiële positie van agrarische bedrijven. ,,Er is een rechtstreeks verband tussen de prijzen van gewassen en de verkoop van landbouwmachines. Een hoge graanprijs is bijvoorbeeld gunstig voor ons: dan maken de graanboeren veel winst en houden ze geld over voor een nieuwe maaidorser. Als de prijzen slecht zijn of de oogsten tegenvallen, stellen ze zo'n grote aankoop liever een jaartje uit.''

Het tijdelijk stilleggen van de productie, afgelopen zomer, had een duidelijke oorzaak: droogte. Het droge weer zorgde voor een magere oogst, waardoor veel boeren geen geld hadden voor grote investeringen. Wat niet wil zeggen dat in de agrarische wereld alle investeringsbeslissingen even rationeel genomen worden. In december laten de verkopen bijvoorbeeld vaak een piek zien. ,,Dan ziet de boer hoeveel winst hij dat jaar gemaakt heeft en dan kan hij twee dingen doen: belasting betalen over de winst, of er een nieuwe tractor van kopen.''

Net als veel andere sectoren in de industrie heeft John Deere last van concurrentie uit lagelonenlanden. Een tractor produceren in Azië is nu eenmaal goedkoper dan een tractor produceren in Waterloo, Iowa. John Deere speelt hier voor een deel op in door zelf ook productie te verplaatsen. Het concern heeft inmiddels fabrieken in Mexico, Brazilië, India en China. In de VS (maar ook daarbuiten) ging een aantal fabrieken dicht, waardoor sinds eind jaren negentig ruim vijfduizend banen verloren gingen.

,,In de VS kunnen we ons marktleiderschap nog altijd handhaven, omdat onze klanten ontzettend merktrouw zijn. In veel familiebedrijven komt geen andere tractor dan een John Deere het erf op. Dat gaat van vader op zoon.'' De sterke klantenband komt volgens Johanning voort uit de crisisjaren rond 1930. ,,Terwijl heel veel boeren in die tijd failliet dreigden te gaan, is John Deere ze gewoon blijven beleveren, meestal op zeer langlopend krediet. Dat heeft een geweldige goodwill gecreëerd.''

In Europa, waar John Deere pas een halve eeuw actief is, en geen anderhalve zoals in de VS, bestaat die sterke klantentrouw veel minder. Gevolg: ,,In Europa moeten we meer op prijs concurreren'', aldus Johanning. ,,Maar Europa is inmiddels wel onze grootste afzetmarkt en onze snelste groeimarkt geworden.'' In 2002 verkocht John Deere 30 procent meer landbouwmachines in Europa, terwijl de afzet in Noord-Amerika 1 procent kromp.

John Deere heeft een aantal grote productiefaciliteiten in Europa, onder meer in Duitsland en Frankrijk (landbouwmachines), Nederland (grasmaaiers en landbouwspuiten) en Scandinavië (bosbouwmachines). Ondanks sluitingen in de jaren negentig staan de meeste fabrieken van John Deere, 23 in totaal, in de VS en Canada. Johanning verwacht ook dat dat zo blijft. ,,De productie van landbouwmachines is weliswaar arbeidsintensief, maar het heeft ook veel voordelen om dicht bij de afnemers te zitten.''

Het maken van tractors is niet gerobotiseerd, zoals bijvoorbeeld de productie van auto's. ,,We maken in Waterloo ongeveer honderd tractors per dag, van verschillende types. Dat zijn geen aantallen om robots voor aan te schaffen. Op een assemblagelijn voor auto's worden honderd keer zo veel voertuigen gemaakt als bij ons.'' Veel onderdelen worden wel door robots gemaakt, maar de eindassemblage is volledig handwerk: een stalen frame in elkaar lassen, de motor installeren, de brandstoftank en de radiatoren aanbrengen, de bekabeling aansluiten, de cabine bevestigen, alles twee keer lakken en tot slot de wielen erop schroeven.

Wie de moeite neemt om ervoor af te reizen naar Waterloo, kan zijn eigen tractor in één werkdag van de grond af opgebouwd zien worden. ,,Sommige klanten doen dat ook. Zo'n tractor is vaak toch een majeure investering, dus daar maken ze graag iets bijzonders van. Wie dat wil, mag zijn eigen tractor zelfs mee helpen assembleren.''