De `ziel' bood altijd uitkomst

Op 24 juni 1922 werd Walther Rathenau, Duitslands minister van Buitenlandse Zaken, te Berlijn in zijn auto vermoord. De beide daders zijn niet levend in handen van de justitie gevallen, maar een aantal van hun medeplichtigen kwam wél voor de rechter. Als motief voor de moord werd in het vonnis genoemd: een `blindwütigen Judenhass'. Antisemitisme was nu eenmaal regel in de extreem-nationalistische kringen waaruit de daders afkomstig waren.

Toch was Rathenau niet vermoord omdat hij een jood was, zou een van die medeplichtigen, Ernst von Salomon (veroordeeld tot vijf jaar tuchthuis), later betogen. Hij zou zijn vermoord omdat hij de briljantste politicus was van de Weimar-Republiek. In zijn adembenemende, aan Dostojevski herinnerende roman Die Geächteten (1929) laat Von Salomon de belangrijkste dader zeggen: `Ik zou het niet kunnen verdragen, als uit het verbrokkelde en lage materiaal van deze tijd nog eenmaal grootheid ontstond.' Dankzij Rathenau dreigde dat te gebeuren, hij belichaamde `hoop', en was dáárom een gevaar dat uit de weg moest worden geruimd.

In Von Salomons roman lijken de samenzweerders welhaast bewonderaars van hun aanstaande slachtoffer. Ze lezen zijn boeken, bezoeken zijn publieke optredens, bespreken zijn ideeën en zijn onmiskenbaar door hem gefascineerd. Dat Rathenau was gedood omdat hij een van de `Wijzen van Zion' zou zijn geweest, was volgens Von Salomon een smoes die zij expres hadden verspreid omdat hun echte motieven toch niet zouden zijn begrepen.

In hoeverre Von Salomon gelijk had, houdt de meningen nog altijd verdeeld. Maar door welke motieven de daders ook werden gedreven, dát Rathenau hen fascineerde laat zich moeiteloos begrijpen, want aan die fascinatie valt nog steeds moeilijk te ontkomen. Weinig twintigste-eeuwse politici zijn zo raadselachtig, zo ongrijpbaar en intrigerend geweest, vanwege de vele tegenstrijdigheden in leven en werk.

Als Duitse jood én nationalist deinsde Rathenau (zie zijn artikel `Höre Israel!' uit 1897) niet terug voor enig antisemitisme. Als cultuurcriticus hield hij er een racistische kijk op de geschiedenis op na, waarvoor hij postuum werd gecomplimenteerd door de nazi-ideoloog Walther Darré. Als grootindustrieel (zoon en opvolger van de president-directeur van AEG) waarschuwde hij voor de schadelijke kanten van de moderne `mechanisering'. Als tegenstander van oorlog (en voorstander van vrede via economische samenwerking) organiseerde hij tijdens de Eerste Wereldoorlog de Duitse grondstoffenvoorziening en pleitte hij nog in oktober 1918 voor een massaal volksverzet tegen de Geallieerden.

J. Van Beek, predikant te Wierden, die vorig jaar in Brussel promoveerde op zijn studie Walther Rathenau. De missie van een onbegrepen Duits-Joodse Europeaan, spreekt van `het ambivalente dat onmiskenbaar in Rathenau's persoonlijkheid lag opgesloten'. Het lijkt me zwak uitgedrukt, gezien de hoeveelheid en de aard van de contradicties. Het valt niet mee in Rathenau's leven en werk de samenhang te achterhalen. Daarvoor zou je dieper in zijn persoonlijkheid moeten duiken en bijvoorbeeld moeten letten op de homo-erotische kant, hoezeer ook gesublimeerd, van deze liefhebber van jong, blond en blauwogig. En je zou zijn ideeën zorgvuldig in chronologische volgorde moeten bezien, want Rathenau veranderde nog wel eens van opvatting.

Niets daarvan vinden we bij Van Beek. De homo-erotiek wordt niet eens genoemd, de veranderlijkheid van Rathenau's ideeën wordt hoogstens aangewend om hem van alle racisme, joodse zelfhaat en nationalisme vrij te pleiten. Maar een scherpe analyse van de ontwikkeling van zijn denken ontbreekt. In plaats daarvan stort Van Beek zich op de Seele, het concept dat sinds een Griekenlandreis in 1906 zo'n grote rol heeft gespeeld in Rathenau's denken. Zijn filosofische hoofdwerk Zur Mechanik des Geistes (1913) heeft niet voor niets als alternatieve titel Vom Reich der Seele.

In de `ziel' vond Rathenau een welkome escape aan de belemmeringen van het ras en ook aan die van zijn joodse herkomst. Dit soort onderscheidingen behoorde immers tot de lagere domeinen van het `intellect'; in het belangeloze `rijk van de ziel', waar het hart en de liefde domineerden, hadden zij geen plaats of geldigheid. Je zou deze ziel kunnen beschouwen als de panacee voor al Rathenau's onverzoenlijkheden. En dat niet alleen: met het `rijk van de ziel' verbond hij ook een betere, minder utilitaire en materialistische toekomst voor de moderne beschaving, die nu nog werd geteisterd door `mechanisering' en `ontgermanisering'.

Geen wonder dat Van Beek tot de conclusie moet komen dat Rathenau `geen heldere uiteenzetting van het begrip Seele' heeft gegeven. Een begrip dat zoveel moet presteren bezwijkt al bij voorbaat, als je het te helder tracht te definiëren. Voor Van Beek is dat gebrek aan helderheid overigens geen enkele reden om niet met Rathenau in te stemmen. Ook hij vindt in het slothoofdstuk (dat van Rathenau – met minimaal concreet bewijs – een voorloper van de Europese eenheid maakt) dat de huidige EU wel wat `ziel' kan gebruiken, naast alle louter economische en utilitaire cohesie.

Een weinig opzienbarende aanbeveling. Daar heeft een dominee Walther Rathenau toch niet voor nodig, zou je zeggen, ook al placht deze dan voor zijn ethiek aan te kloppen bij het evangelie. Maar er is meer dat tegenvalt. Bijvoorbeeld de afwezigheid van een serieuze poging om Rathenau en zijn denken in hun tijd te situeren, want de even schoolse als onbevredigende vergelijkingen met Nietzsche, Buber en Brunner kunnen moeilijk als zodanig gelden. Aandacht voor de `Seele' als tegenwicht tegen verstand en rede was er destijds allerwegen in Duitsland, bij de Jeugdbeweging, bij individuele hervormers en wereldverbeteraars, bij het expressionisme, bij de George-Kreis, et cetera. Van Beek besteedt er geen aandacht aan.

Of hij weet er niets van. Dat laatste mogen we misschien afleiden uit de vele fouten die hij maakt. Dat iemand niet weet wie de bioloog R.H. Francé is, auteur van Das Leben der Pflanze (aan wie Rathenau voor zijn theorieën over organisatie en bedrijfsvoering het principe van de `Selbstorganisation' zou hebben ontleend), is geen doodzonde; wél dat je hem aanziet voor de Franse romancier Anatole France.

Ook lijkt Van Beek te denken dat Musil Rathenau een `Mann ohne Eigenschaften' noemde in zijn gelijknamige roman, die zich afspeelt in 1913 en dus niet gaat `over de ontbinding van de oude tijd als gevolg van de Eerste Wereldoorlog'. Verder slaat de trias politica niet op vrijheid, gelijkheid en broederschap, heeft Nietzsche zijn vriendschap met Wagner niet verbroken vanwege diens antisemitisme, garandeerde het Schlieffen-plan allerminst de Belgische neutraliteit en kan Adolphe Thiers (gestorven in 1877) onmogelijk hebben geciteerd uit Rathenau's Zur Kritik der Zeit uit 1912.

Er staan nog meer fouten in deze dissertatie (promotor en commissieleden, evenals de in het `woord vooraf' genoemde kritische meelezers, moeten hebben zitten slapen), al heb ik mij uiteindelijk het meest geërgerd aan de ijver van J. van Beek om bijna alle scherpe kantjes weg te poetsen, ten einde Rathenau acceptabel te maken voor hedendaagse politiek correcte lezers met een religieuze inslag. Dat de fascinatie desondanks overeind blijft, is beslist niet zíjn verdienste maar alleen die van Rathenau zelf, wiens aantrekkingskracht zelfs dit knullige amateurisme weet te doorstaan.

J. van Beek: Walther Rathenau. De missie van een onbegrepen Duits-Joodse Europeaan. Kok, 234 blz. €29,90