De renaissance van rechts in het Oosten

Extreem-rechtse en fascistische groeperingen zijn in Oost-Europa maar moeilijk in toom te houden, meent Jirí Pehe

Het lijkt erop dat de extreem-rechtse en postfascistische partijen, waarvan de opkomst een paar jaar geleden in heel West-Europa grote zorgen baarde, in het verkiezingscircuit geen rol van betekenis meer spelen. Maar wil dat ook zeggen dat politiek radicalisme, extreem-rechtse sentimenten en fascisme in Europa uitsterven? Niet echt. Terwijl zowel de extreem-rechtse als de postfascistische groepen in West-Europa aan kracht inboeten, beleeft Oost-Europa een renaissance van extreem-rechtse en fascistische partijen, met als meest onheilspellende voorbeelden de successen van de nationalistische radicalen in de recente Russische en Servische verkiezingen.

Een van de oorzaken waardoor de extremistische partijen in West-Europa zijn gemarginaliseerd, is hun zwakke positie in de Europese politiek. Allengs is het de kiezers in Italië, Frankrijk, Nederland en Oostenrijk – de landen waar de postfascistische of extreem-rechtse partijen de grootste zorgen baarden – duidelijk geworden dat de gevestigde democratische krachten in Europa de extremistische partijen in het Europese Parlement en andere EU-instellingen slechts een beperkte invloed zouden toestaan. Sommige, zoals Jörg Haiders Vrije Democraten in Oostenrijk of de Italiaanse postfascisten van Gianfranco Fini, zagen zich gedwongen hun radicalisme te temperen, nadat zij tot een regeringscoalitie waren toegetreden. Terwijl het West-Europese xenofobische extremisme merendeels voortkwam uit angst voor immigratie, uitbreiding van de EU en de druk van de globalisering, heeft het xenofobische radicalisme in Oost-Europa andere wortels. De recente electorale successen van de Servische Radicale Partij van Vojislav Seselj en de Russische nationalistische partijen, en de sterke positie van Vadim Tudors Groot-Roemeense Partij in Roemenië zijn vooral het resultaat van fanatiek nationalisme en de druk van de modernisering.

Net als in West-Europa is in de meeste postcommunistische landen, die in mei 2004 zullen toetreden tot de EU, zowel het politieke radicalisme als het nationalisme geneutraliseerd, maar wel tot op zekere hoogte door de gevestigde politieke partijen overgenomen. Afgezwakte versies van nationalistische, eurosceptische of xenofobische leuzen vallen nu te beluisteren bij politieke partijen als de Burgerdemocraten in de Tsjechische Republiek of de Hongaarse Fidesz – de grootste oppositionele krachten in die landen. Met andere woorden: zowel de taal als de agenda die oorspronkelijk aan de extreem-rechtse partijen voorbehouden was, is overgenomen door de gevestigde politieke orde.

Rusland, Servië en Roemenië zullen daarentegen hun extremisten waarschijnlijk minder gemakkelijk in toom kunnen houden. Allereerst schort het daar, anders dan in de postcommunistische landen in Midden-Europa, aan westerse politieke en filosofische tradities. Nauwe banden tussen de staat en de orthodoxe kerken hebben geresulteerd in staatsgodsdiensten, die hebben bijgedragen tot de vorming van een sterk nationaal messianisme.

In de tweede plaats hebben die landen traditioneel een sterke staat – de democratische scheiding der machten en het streven om de rechtsorde in te voeren zijn er relatief jonge ontwikkelingen. Ten slotte raken deze samenlevingen verstoord en gedesoriënteerd door de globalisering, de druk van de markthervorming en de modernisering van instellingen.

Een sterk besef een historische missie te hebben, gecombineerd met sociale en economische problemen en verminderd internationaal aanzien – dat alles vormt een licht ontvlambaar mengsel, dat de radicalen in de kaart speelt. Daarom zal althans in deze drie landen de opkomst van postfascistische tendenties, nationalisme en politiek extremisme misschien niet tijdelijk zijn, zoals in Midden-Europa, of beperkt blijven tot het marginale verschijnsel dat wij recent in West-Europa hebben kunnen waarnemen. Wel vallen er tussen Rusland, Servië en Roemenië belangrijke verschillen aan te wijzen. Het laatstgenoemde land is kandidaat om in 2007 lid van de EU te worden, en dat vooruitzicht heeft al een matigende uitwerking gehad op de Roemeense politiek.

De twee miljoen etnische Hongaren in Roemenië, die het voornaamste politieke mikpunt zijn van de Roemeense nationalisten, vormen een brug naar de EU, waartoe Hongarije drie jaar eerder dan Roemenië zal toetreden. De hoop op het lidmaatschap van de EU vormt voor gematigde Roemeense politici en het Roemeense publiek een sterke prikkel om niet te zwichten voor nationalistische sentimenten.

Moeilijker ligt het met Servië en Rusland, omdat in die twee gevallen – om verschillende redenen – gekwetste trots een rol speelt. Rusland is zijn status als grote mogendheid vrijwel helemaal kwijt, en Servië is in 1999 diep vernederd door de NAVO. Vele Serviërs voelen zich ook gekrenkt door de aanhoudende rechtszaken tegen hun voormalige leiders voor het Internationaal Strafhof in Den Haag.

De internationale gemeenschap, vooral de EU, kan weinig doen om in deze twee landen een gematigde politiek te bevorderen. Daar komt bij dat de ervaringen van de doorsnee Rus met de economische en politieke liberalisering vrij negatief zijn. De meeste Russen lijken weliswaar te beseffen dat hun land niet meer door de communisten kan worden `gered', maar velen van hen gokken op een semi-autoritair bewind en een nationale renaissance op basis van traditionele Russische waarden. Maar die cocktail vormt de andere dodelijke verleiding van de moderne politiek.

JirÍ Pehe is politiek analist en directeur van de New York University in Praag.

©Project Syndicate