Constant (1)

Constant beweert in zijn gesprek met Anna Tilroe (Cultureel Supplement 16 januari) dat hij in 1960 zelf weg is gegaan bij de Internationale Situationniste (I.S.) omdat die weer in zee ging met de schilderkunst – en de daarbij horende eenmanstentoonstellingen. Hij haalt begin en eind van zijn tijd binnen de I.S. door elkaar. In 1958 raakte hij met Guy Debord, een van de hoofdfiguren van de I.S., in discussie over de rol van de schilderkunst en die controverse leidde uiteindelijk tot zijn betrokkenheid bij de I.S. . Constant wees op dat moment de schilderkunst strikt af omdat het in zijn ogen een contrarevolutionair medium was.

In Debord vond hij een bondgenoot en samen probeerden ze in 1959 binnen de I.S. een soort schilderverbod in te voeren. Hun poging strandde in de directe confrontatie met Asger Jorn, de man tegen wiens houding de aanval in eerste instantie gericht was geweest. Jorn wist maar al te goed dat ook voor de radicaal anti-kunstgezinde situationisten de vrijheid van de verbeelding zeer belangrijk was en dat zij de schilderkunst alleen maar in het kader van hun polemische simplificatie tot zondebok konden maken. Constant projecteerde zijn vrijelijk stromende fantasie op utopische maquettes voor nieuwe steden, een project dat later de naam Nieuw Babylon zou krijgen. Hij projecteerde zijn fantasie enerzijds op een postrevolutionair hemelrijk en anderzijds op de vingertoppen van de handen waarmee hij zijn utopie vormgaf – en die tweeslachtigheid wilde hij opdringen aan alle situationisten: hij wilde dat het door hem in Amsterdam opgerichte Bureau voor Unitair Urbanisme dat min of meer samenvalt met zijn atelier het onderzoekscentrum zou worden van de I.S.

Dat bracht hem onherroepelijk in conflict met Debord; de Parijse uitgever van het centrale orgaan van de situationisten wees Constant er fijntjes op dat de moderne revolutionairen zich in de realiteit bewegen en dan wel vóór de revolutie. En in die realiteit wakkeren ze de conflicten met de heersende machten aan en in die conflicten vinden ze hun bondgenoten. Debord had heel wat over voor de betrokkenheid van Constant en offerde daar zelfs zijn oude vriend Pinot Gallizio aan op, een Italiaanse bon-vivant die door een situationistisch project schilder was geworden.

Op instigitatie van Constant kreeg Gallizio op grond van een eenmanstentoonstelling in het Stedelijk Museum een royementsverklaring gepresenteerd. Dat was echter nog niet genoeg voor Constant en op die manier verspeelde hij het vertrouwen van Debord, zoals is na te lezen in de brief die Jacqueline de Jong van Debord ontving na Constants vertrek. Deze brief werd onlangs gepubliceerd in de monografie Undercover in de kunst/ in Art van Jacqueline de Jong (Ludion 2003). In dat boek is ook te lezen dat de stedenbouwkundige ideeën binnen de I.S. helemaal niet op de achtergrond raakten, zoals Constant beweert. Het was alleen zo dat er na zijn vertrek geen situationisten meer waren die maquettes bouwden en dat aanzagen voor de enige echte revolutionaire handelwijze.