Boos op de priester

Het liefst zou je de rijk geïllustreerde boekjes uit de tentoonstelling `Illuminating the Renaissance' mee naar huis nemen. Het boek als intiem privé-object.

Een jonge, knappe, zeer elegant geklede vrouw zit bij een geopend venster te lezen. Het boek heeft ze voorzichtig op een lap groene zijde gelegd, op de vensterbank waar ook een juweel met robijn en parels ligt, en twee losse rode anjers, geflankeerd door een vaas irissen. Op haar schoot rust een klein hondje. Maar achter het venster is iets vreemds aan de hand: we zien hier niet de buitenwereld, maar een kerkinterieur met Maria, Jezus en een viertal engelen, die aanbeden worden door een jonge vrouw in een al even rijk kostuum als de lezende, en een geknielde man rechts daarvan. De lezende vrouw lijkt het allemaal niet op te merken, al haar aandacht is op het boek gericht.

De fraaie scène is afkomstig uit het Getijdenboek van Maria van Bourgondië (rond 1470-75 verlucht door de man die ernaar is vernoemd, de Meester van Maria van Bourgondië) en is een van de beroemdste illustraties die te zien zijn op de tentoonstelling Illuminating the Renaissance: The Triumph of Flemish Manuscript Painting in Europe, op dit moment in de Royal Academy in London. De scène stelt waarschijnlijk Maria zelf voor die haar gebedenboek leest, en is ongewoon complex van compositie. De lezende vrouw zit immers in wat normaal gesproken de marge van het boek zou zijn. Haar aanwezigheid vestigt de aandacht niet alleen op de daad van het lezen zelf, maar ook op de onzichtbare wereld die ontstaat in het hoofd van de lezer, de wereld die achter het venster wordt getoond. En interessant genoeg is dat niet een visualisatie van het gebedenboek dat de vrouw voor zich heeft, maar een scène uit het Getijdenboek zelf: het visioen van Thomas Becket van de Maagd Maria – het verhaal dat wij, de lezer, in ons hoofd hebben.

Het is de droom van iedere lezer: een boek dat alleen voor jou geschreven lijkt. Je kunt er zo in opgaan dat je denkt zelf deel uit te maken van het boek. Het geldt voor veel van de verluchte manuscripten op Illuminating the Renaissance. De boeken, gekalligrafeerd en geïllustreerd in de periode 1470-1560 – nadat de boekdrukkunst allang was uitgevonden – waren bestemd voor het allerhoogste segment van de markt. Het waren begeerlijke verzamelobjecten voor hertogen en koningen, die er hun macht, status, rijkdom en goede smaak mee konden tonen. Vooral het Bourgondische hof, dat net als het manuscript zelf eigenlijk in zijn nadagen verkeerde, zorgde voor een ongekende opleving van de oorspronkelijk middeleeuwse kunstvorm aan het eind van de vijftiende eeuw. Wie het verluchte manuscript hoofdzakelijk met de Middeleeuwen associeert, komt dan ook voor een grote verrassing te staan op deze tentoonstelling.

In donkere zalen waarin alleen de bladzijden oplichten, is de ene vitrine na de andere gevuld met louter meesterwerkjes van een wonderbaarlijke schoonheid. Veel daarvan zijn nauwelijks bekend bij een groter publiek, sommige illustraties zijn nooit eerder te zien geweest in een tentoonstelling. Terwijl de meeste boeken afkomstig zijn uit de British Library en het J. Paul Getty Museum (de tentoonstelling is het resultaat van een tien jaar lange samenwerking tussen die instituten en de Royal Academy), zijn er ook werken in bruikleen bij van andere musea en zelfs anonieme particulieren.

Dat laatste is jaloersmakend – want de boeken maken de verzameldrang van de hertogen meer dan begrijpelijk. Schokkend helder van kleur door het gebruik van tempera-verf (op basis van ei of Arabische gom) op perkament, liggen ze zo verleidelijk te glanzen in het zachte licht dat je er zo dicht mogelijk bij wilt komen. Bezoekers lopen rond met vergrootglazen; op neushoogte is het glas van de vitrines wat smoezelig geworden. Het liefst zou je zo'n getijdenboekje, bijvoorbeeld het kleinste werk van de tentoonstelling, van Simon Marmion, met een marge bestrooid met aardbeitjes, roze anjers, vergeet-mij-nietjes en motten, in je handen houden, ja, het mee naar huis nemen om het in een van je torenkamers rustig door te kunnen bladeren en je te verliezen in de afbeeldingen, telkens weer. Het boek als intiem privé-object, in een oplage van één, voor één persoon.

Die levensechte `bestrooide' marges, vaak met bloemen en insecten min of meer op ware grootte, en schaduwen, zodat het lijkt alsof ze echt op de bladzijde liggen, zijn overigens typisch voor deze laatste periode van verluchte manuscripten. Ze vormen een opvallend aards contrast met de veelal religieuze illustraties en teksten in het midden van het blad, alsof je weer door dat venster naar een andere wereld blikt. Maar de realiteit van die andere wereld wordt er niet minder om – het is alsof je gewoon over de rand kunt stappen, het verhaal in.

Een mooi voorbeeld daarvan hangt direct in de eerste zaal van de tentoonstelling, wederom van Simon Marmion. Het verhaal, La Vision de l'âme de Guy de Thurno, gaat over de geest van een rijke burger van Verona die bij zijn vrouw blijft spoken. Zij schakelt de hulp in van een priester, die met de dode een debat aangaat over het hiernamaals. Marmion toont de priester in een oud-Vlaams interieur, druk gebarend in de richting van helemaal niets. De vrouw en een viertal mannen staan er zo omheen dat de lege ruimte tussen hen in, zo wordt geïmpliceerd, in beslag wordt genomen door de geest; de lezer van het boek sluit als het ware de haag om hem heen. Wat de scène zo bijzonder maakt is het psychologisch realisme: de omlaaggetrokken mondhoeken en misprijzende uitdrukking van een van de mannen, de ongemakkelijke blikken van de rest – houdt de priester hen soms voor de gek? Het is precies hoe wíj nu ook zouden reageren.

Op een andere afbeelding, De creatie van de menselijke ziel van de Meester van Edward IV, zien we een aandoenlijk echtpaar, naakt in bed op hun slaapmutsen na. Het knusse interieur is met veel zorg weergegeven, de pantoffels voor het bed geplaatst, een al uitgeblazen kaars op tafel. Maar in de opengewerkte linkerbovenhoek is daar een al even realistisch geschilderde drie-eenheid, Vader, Zoon en Heilige Geest die een vliegende baby door de lucht richting echtpaar sturen.

Een van de hoogtepunten van een tentoonstelling die toch al uit bijna alleen maar hoogtepunten bestaat, is de reeks illustraties uit Les Visions de chevalier Tondal van Marmion. Ridder Tondal wordt daarin getroffen door een beroerte tijdens een banket en moet, omdat hij zich tijdens zijn leven nooit had bekommerd om zijn zieleheil, op reis door hel, purgatorium en hemel. De hellescènes – voor ieder type zondaar een andere brandende variant – zijn van een Bosch-achtige intensiteit en horror, waarbij purgatorium en hemel maar saai afsteken.

Omdat de reeks afbeeldingen naast elkaar is opgehangen, krijgt het geheel het aanzien van een stripverhaal, een effect dat zo'n vijftig jaar later vervolmaakt zal worden door Simon Bening in het Stein vierluik, 64 miniaturen over het leven van Christus. Deze op perkament geschilderde illustraties werden op vier panelen geplakt, zonder tekst, waardoor er een wonderlijk moderne, filmische sequentie ontstond. Bening schilderde opeenvolgende shots van één gebeurtenis, zoals de kruisgang, waarmee een beweging in real time wordt gesuggereerd, en laat zo'n long shot dan volgen door een close-up, nog altijd een van de beste manieren om de kijker bij de strot te grijpen. Vooral mooi is een portret van Maria na de kruisiging, haar ogen rood van het huilen.

De twee Simons, Marmion en Bening, vormen de uitersten van de tentoonstelling: de vroegste grote meester van de periode, en de laatste die nog in dit genre werkte. Daartussen is een langzame verschuiving te zien naar wereldsere onderwerpen en steeds realistischer afbeeldingen. En de marge verschoof mee. Vooral de Meester van Jacobus IV van Schotland maakt in het Spinola Getijdenboek (1510-20) innovatief gebruik van de mogelijkheden van de marge. Hij laat bijvoorbeeld de hoofdillustratie doorlopen tot voorbij de kaders, alsof hij een lege schilderijlijst voor een landschap omhooghoudt. Soms toont de marge de buitenwereld terwijl het kader laat zien wat er binnen in een gebouw gebeurt. In een enkel geval bevat de marge de hele voorgeschiedenis van het onderwerp, zodat we bijvoorbeeld Johannes de Doper verschillende keren op één pagina tegenkomen, met en zonder hoofd.

In de vele illustraties bij niet-religieuze teksten, zoals Le Roman de la rose, diverse kronieken, het leven van Alexander de Grote, verhalen van Boccaccio, en kalendermaanden, komen in de loop van de zestiende eeuw steeds vaker herkenbare tafereeltjes voor uit het dagelijks leven van gewone mensen: het slachten van een varken, werken in de moestuin, houthakken, de jacht, en steeds weer die huisjes met trapgevels op de achtergrond. Ook zien we mensen in een badhuis, Saksen die ijzererts winnen, vergezichten op de vierkante centimeter. En de niet zo alledaagse tragische dood van de koning van Navarra, die levend verbrandde in zijn bed doordat een page te hard in de beddepan blies, en het laken vlam vatte.

Eigenlijk is Illuminating the Renaissance, met de ruim 170 werken bijna te groot voor deze kunstvorm. Iedere miniatuur nodigt je uit tot heel intieme omgang, lonkt in felle kleuren, verlangt dat je je blik laat glijden van marge naar hoofdillustratie en weer terug, en geeft bij voldoende belangstelling welwillend nieuwe details prijs. Iedere miniatuur vraagt je onverdeelde aandacht en devotie. In ruil daarvoor behagen ze je ogen. Bewonder ze – om hun schoonheid die nooit voor zoveel ogen was bedoeld – voordat ze weer met hun eigenaren in gesloten torenkamers verdwijnen.

Illuminating the Renaissance: The Triumph of Flemish Manuscript Painting in Europe. In de Royal Academy of Arts, Piccadilly, Londen. Tot 22 februari. www.royalacademy.org.uk.