Altijd al uit de kast

Hun emancipatie als individuen heeft van homo's een aparte groep gemaakt, dat is de paradox van de zichtbaarheid. Maar was het vroeger anders? Uit een nieuwe studie blijkt dat homoseksuelen ook in de negentiende eeuw niet alleen maar zielige, onderdrukte figuren waren. Soms werden ze zelfs burgerlijke helden.

Ach ja, homoseksualiteit. In zijn bespreking van Strangers, Graham Robbs studie van homoliefde in de negentiende eeuw, haastte de Engelse schrijver Philip Hensher zich vorige maand te verklaren dat het eigenlijk geen onderwerp voor hem was. Waarom zou je nog een boek over homoseksualiteit schrijven of lezen?

De implicatie was duidelijk: Hensher is een bevrijde homo. Hij heeft de geschiedenis van andere homo's niet meer nodig om zich goed te voelen. Hij geneert zich om veel expliciete woorden te wijden aan wat voor hem allang de gewoonste zaak van de wereld is, iets dat op een natuurlijke wijze onderdeel van zijn persoonlijkheid uitmaakt en waar dus eigenlijk niets meer over te zeggen valt. De lezer van zijn recensie zou misschien kunnen denken dat hij zich met de Goede Zaak van de homo-emancipatie zou vereenzelvigen, dat hij zichzelf als `homoseksueel van beroep' zou zien. Hij had Robbs boek gelezen, hij vond het goed – maar eigenlijk had hij wel iets beters te doen.

Maar weinig homo's willen tegenwoordig geen homo zijn, maar wie wil er nog alleen maar homo zijn? Het is een mooi voorbeeld van de manier waarop de tijdgeest de wereld omkeert: waren homoseksuelen in het verleden bang om zichzelf als zodanig te afficheren uit angst voor maatschappelijke verkettering en uitsluiting, tegenwoordig aarzel je jezelf homo te noemen uit angst om door de buitenwereld alleen nog maar als homo gezien te worden. Het is een soort tweede emancipatie.

Hensher wordt overigens zelf ook in Robbs boek geciteerd: ,,Ik ben in mijn leven geloof ik minder dan een half dozijn keer beledigd wegens mijn seksualiteit en ik heb nooit de moeite genomen te reageren met meer dan `Oh, fuck off.' Niet echt Oscar Wilde.''

Oh, fuck off – je zou willen dat er in Nederland wat vaker op eenzelfde hartgrondige wijze gereageerd zou worden op degenen die homoseks opnieuw tot een omstreden onderwerp willen maken, zowel de bigotte islamieten die met hun religieuze drogredenen hun benarde machismo willen beschermen, als de Hollandse neoconservatieven die 's nachts wakker liggen van een paar gespierde kerels in zwembroek op een rondvaartboot.

Dyab Abu Jahjah, Leon de Winter – oh, fuck off.

Helemaal gelijk heeft Hensher niet. Natuurlijk is de sociale geschiedenis van homoseksuelen een geschikt onderwerp voor een serieuze studie. Graham Robb zelf, de briljante Engelse biograaf van Franse schrijvers als Balzac, Hugo en Rimbaud, vertelt in het eerste hoofdstuk van Strangers hoe de wenkbrauwen omhoog ging wanneer mensen hem de afgelopen jaren vroegen waar hij mee bezig was. De directeur van het staatsarchief voor fotografie in St. Petersburg weigerde een portretfoto af te staan voor opname in een boek over homoseksualiteit. Bekenden van hem kwamen met fossiele theorieën aanzetten, en vroegen hem of zijn boek `voor' of `tegen' zou zijn, welke tot dan toe onverdachte beroemdheden hij – ongetwijfeld ten onrechte – uit de kast zou trekken, en offreerden hem behulpzaam anekdotes over Victoriaanse kinderverkrachters. `Wetenschappers in Groot-Brittannië, Frankrijk en de Verenigde Staten wensten me een spoedige terugkeer naar de biografie en literatuurgeschiedenis toe', schrijft Robb.

Uit die reacties blijkt dat homoseksualiteit als neutraal studieobject in grote delen van de wereld nog wel degelijk taboe is, maar ook nog iets anders: homoseksualiteit wordt in de meeste westerse landen weliswaar volledig geaccepteerd, maar vooral als een aparte categorie. Dat is de paradox van de zichtbaarheid: homoseksuelen die zich vol overgave op de homostudies storten en homoromans schrijven, doen dat om begrijpelijke redenen – ze werken immers aan hun eigen emancipatie – maar ze isoleren het onderwerp ook van de rest van de samenleving. Die haalt er haar neus voor op, of haar schouders. Wanneer iemand `van buiten' dat wereldje, zoals een literair biograaf als Robb, zich met het onderwerp inlaat, kan zijn omgeving niet begrijpen waaróm. En dan bedankt hij in de verantwoording ook nog eens zijn vrouw.

Die paradox loopt als een rode draad door Strangers. Robb wil de levens van homoseksuelen zichtbaar maken, levens die tot nu toe grotendeels verborgen zijn gebleven door het ontbreken van onverdachte getuigenissen of vertekend zijn door gekleurde – medische of gerechtelijke – rapportage. Tegelijk is hem er veel aan gelegen de ervaringen van homoseksuelen te zien als deel van een algemene ervaring, een variant van menselijk gedrag en geen ziekelijke afwijking. De afkeuring en verkettering die homoseksuelen in de negentiende eeuw ten deel vielen waren een sociaal fenomeen, en de manier waarop homoseksuelen daarop reageerden was dat eveneens. Ze werden beschouwd als afwijkend, ze zagen zichzelf vaak als afwijkend, maar ze waren het niet.

Een van de eerste heilige huisjes die in Strangers tegen de vlakte gaat, is de mythe van permanent passief slachtofferschap. De negentiende eeuw, zo luidt Robbs belangrijkste stelling, was voor homoseksuelen in werkelijkheid heel wat minder repressief dan we terugkijkend vanuit het geëmancipeerde heden geneigd zijn te denken. Dat komt omdat de meeste getuigenissen van het homoleven ons bereiken via politiearchieven, rechtbankverslagen en medische dossiers. Die vertekenen het beeld hopeloos, omdat ze homoseksualiteit consequent in verband brengen met criminaliteit en ziekte. Omdat homoseksualiteit als iets afkeurenswaardigs ongewoons werd gezien, duiken homoseksuelen in de archieven ook alleen op als iets afkeurenswaardig ongewoons, zodat het lijkt of hun levens uit enkel vernedering en verkettering bestonden. Maar zoals Robb keer op keer laat zien, onthulden de grote negentiende-eeuwse homoschandalen in Europa (de rechtszaken tegen travestieten en mannelijke hoeren, en natuurlijk die tegen Oscar Wilde) het bestaan van een uitgebreide en geraffineerde subcultuur, waarin het meestal goed toeven was. Die subcultuur was meer dan een trieste tippelzone.

Arrestaties, rechtszaken en veroordelingen waren in het Europa van de negentiende eeuw ook veel minder frequent dan later werd aangenomen; ze vonden regelmatig plaats, maar niet aan één stuk door. Meestal was het een opvallend schandaal dat een kortstondige opleving in de vervolgingen veroorzaakte, maar daartussenin waren er lange perioden van relatieve rust. Robb voegt een paar Engelse grafieken als bewijs toe. Het was vooral in de twintigste eeuw, na het Wilde-schandaal in 1895, dat de algemene repressie toenam.

Ook het beeld van de negentiende-eeuwse homo als ziekelijke neuroot wordt door Robb op laconieke wijze genuanceerd; het waren vanzelfsprekend alleen de ziekelijke gevallen die in de wachtkamers van de doktoren opdoken, meestal popelend om van hun neurosen te getuigen. Vaak vertelden ze de artsen wat die wilden horen. Zij ontwikkelden de meest ingenieuze theorieën om de derde sekse in te passen in de puzzel van de menselijke seksualiteit. Aangezien de heersende moraal niet toestond dat homoseksualiteit als een natuurlijk gegeven kon worden gezien, iets dat er nu eenmaal was en altijd zou zijn, werd het verschijnsel onderwerp van de wildste speculaties van de medische verbeelding. `Het is veelzeggend dat naarmate de studie van seksueel afwijkend gedrag complexer en gespecialiseerder werd, het ontdekken van symptomen almaar onwetenschappelijker werd', schrijft Robb. `Het was alsof de terminologie was uitgevonden om het vooroordeel en het bijgeloof in staat te stellen voort te leven in een modern idioom. Sommige termen waren zelfs regelrecht mythisch. Succubus en incubus (als omschrijving van respectievelijk een passieve en een actieve pederast) werden aan het einde van negentiende eeuw nog steeds door medici gebruikt.' Alles kon als een veelzeggend teken worden gezien: lichamelijke kenmerken als haargroei en de afmetingen van bepaalde botten, maar ook het feit of iemand rookte of dronk. Mannelijke homoseksuelen waren niet in staat te fluiten of te spugen, lesbiennes daarentegen waren daar juist kampioenen in.

Robb heeft merkbaar plezier in het beschrijven van deze medische schatgraverij. Zijn hoofdstuk over de aanstormende medicalisering van de homoseksualiteit, die aan het einde van negentiende eeuw een hoge vlucht nam, staat vol idiote vondsten en noties waar de medische stand oprecht in geloofde. Tegelijk geeft hij veel aandacht aan de pioniers, wetenschappers zoals Karl Heinrich Ulrichs (zelf homoseksueel, en een van de eerste negentiende-eeuwers die een publieke coming-out aandurfden) en Albert Moll (!), die in staat waren door de waan van de dag heen te kijken en homoseksualiteit te zien en te verdedigen als een normale variant van menselijk gedrag.

Robb ontkracht ook de beroemde these van de Franse filosoof Michel Foucault dat homoseksualiteit als begrip een laat negentiende-eeuwse uitvinding zou zijn van dokters, een `sociale constructie', die iets in het leven riep dat daarvoor helemaal niet zou hebben bestaan. Vóór 1870, toen de Duitse dokter Carl Westphal zijn artikel over tegengestelde seksuele gevoelens als mentale aandoening publiceerde in het Archiv für Psychiatrie und Nervenkrankheiten, zou er volgens Foucault helemaal geen besef van een homoseksuele `identiteit' geweest zijn. Mensen deden maar wat met elkaar, vriendschap liep over in lichamelijke liefde, zonder zichzelf een formeel etiket op te plakken. Griekse of Romeinse mannen in de oudheid konden seks met elkaar hebben zonder zichzelf te beschouwen als anders dan gewone, heteroseksuele mannen. Het ging er daarbij hooguit om wie de dominante rol had; een man die zich passief liet nemen door een andere man, die kon worden gezien als verwijfd.

Maar Robb geeft contra Foucault vele voorbeelden van een `homoseksueel bewustzijn' van vòòr het artikel van dokter Westphal. Er waren genoeg mannen en vrouwen die zichzelf wel degelijk als wezenlijk anders georiënteerd beschouwden in hun seksuele voorkeuren dan de rest. Alleen uitten ze dat niet publiekelijk, en de mensen in hun omgeving was er ook veel aan gelegen te doen alsof hun neus bloedde, zodat er een ontspannen sociaal verkeer mogelijk was. Robb: `Het feit dat de grens tussen Romantische vriendschap en hartstochtelijke liefde moeilijk te trekken valt, wil niet zeggen dat hij niet bestond.'

De twee dames van Llangollen bijvoorbeeld, die in de negentiende eeuw door tal van Britse beroemdheden werden bezocht en geprezen wegens hun voorbeeldige vrouwenvriendschap, reageerden als door een wesp gestoken toen hun relatie in een krantenartikel onder de dubieuze kop `Extraordinary Female Affection' werd aangeprezen. Ze dreigden onmiddellijk met een proces. Twee mannen die in Frankrijk de toon aangaven in de beau monde en die al jaren gezellig met elkaar samenwoonden, zonder dat er een naam aan gegeven werd door henzelf of door hun gasten, waren in werkelijkheid – zo blijkt uit later gepubliceerde dagboeken van kennissen – wel degelijk het onderwerp van allerlei smakelijke speculaties over de aard van hun relatie. Ook in de negentiende eeuw vroegen heteroseksuele echtparen zich na een diner op weg naar huis af wie nu van de twee het mannetje was, en wie het vrouwtje.

Keer op keer benadrukt Robb dat in die eeuw homoseksuelen lang niet altijd zielenpoten waren. `Men heeft de neiging bewijzen van gewoonheid over het hoofd te zien omdat ze dramatische spanning missen. De verleiding bestaat om massale gebeurtenissen af te beelden – hysterische menigten, kuisheidscampagnes, uitbarstingen van morele paniek, enzovoort. Daardoor worden mensen gereduceerd tot hun seksuele verlangens en voorgesteld als hulpeloze micro-organismes in de vloedgolf van de publieke opinie. Maar ze maakten deel uit van de samenlevingen die ze meehielpen te vormen. Zoals alle sociale wezens verstonden ze de kunst dingen te verbergen en compromissen te sluiten.'

Dit is de dragende idee van Strangers: dat homoseksuelen in de negentiende eeuw, ondanks de onmiskenbare verdrukking en maatschappelijke haat, wel degelijk een plaats hadden in de maatschappij. De moderne angst voor historische vereenzelviging, benadrukt Robb, verhindert ons te zien dat veel gedrag en opvattingen in de negentiende eeuw helemaal niet zoveel verschillen met die van onszelf. Homoseksuelen waren vaak zichtbaar aanwezig, velen van hen werden openlijk getolereerd, en de meesten van hen waren meer dan alleen maar homoseksuele gevallen. En net als zoveel homo's in het huidige post-emancipatietijdperk waren ze ook toen al gewoon burgerlijk.

Maar deze ogenschijnlijke tolerantie, waarschuwt Robb, moet niet worden aangezien voor acceptatie. Er was uitsluiting, er waren zelfmoorden, en het eindeloze spel van verhulling en deceptie dat homoseksuelen gedwongen waren te spelen, vernielde de levens van velen van hen. Het feit dat de meeste homo's zichzelf niet zagen als homoseksuelen in de moderne zin van het woord, stelde hen weliswaar in staat onopvallende levens te leiden, maar verhinderde hen ook de maatschappij tot volledige acceptatie te dwingen. Vaak zagen ze zichzelf als afwijkend en hun geaardheid spoorde hen niet aan om sociale hervormingen af te dwingen. Zoals Robb schrijft over een Engelse vrouw, die hij zowel `profoundly lesbian' als `profoundly conservative' noemt: `She no more blamed society for the inconvenience than she thought of prosecuting the weather for making her house damp.'

Strangers staat vol met zulke prikkelende zinnen. In zijn biografieën munt Robb uit in het onderuit halen van drogredenen en sleetse aannames over zijn onderwerpen; in zijn studie over de negentiende-eeuwse homoseksueel doet hij hetzelfde. Vrijwel alle hedendaagse geaccepteerde noties over de sociale positie van urningen of Uraniërs worden door hem van een groot ironisch vraagteken voorzien. Daarbij springt hij nogal eens van de hak op de tak, en te vaak verwijst hij vooruit, naar komende hoofdstukken. Ook weet hij in zijn samenvattingen van bijvoorbeeld homoliteratuur opsommingen niet te vermijden. Veel doet het er niet toe; het is zijn typische stijl, laconiek, oneerbiedig, uitdagend en epigrammatisch, die je moeiteloos naar de laatste bladzijde brengt.

In zijn laatste hoofdstuk beschrijft Robb een intrigerend fenomeen: de homo als sjamaan-achtige figuur, de ziener die door zijn uitzonderingspositie boven de maatschappij staat en haar met behulp van zijn formidabele intellectuele vermogens als geen ander doorgrondt. Als de typisch negentiende-eeuwse incarnatie van dat fenomeen wijst Robb de meesterdetective aan. Eerst was er Poe's Auguste Dupin, daarna natuurlijk Sherlock Holmes, die op zijn beurt gevolgd werd door een reeks populaire ongetrouwde detectives, die er meestal een dandy-achtige stijl van leven op nahielden en vrijwel altijd samenwoonden met een andere man. Dat was geen naïviteit van hun scheppers, en ook niet van hun lezers; de onschuld van Victorianen is een mythe.

In dat slothoofdstuk legt Robb een even merkwaardige als veelzeggende paradox bloot. Zelfs in tijden van hun verdrukking heeft de samenleving altijd homoseksuele helden gehad, die bewonderd werden omdat ze zichtbaar anders waren. Mensen die er in hun eigen leven akelige opvattingen over homoseksuelen op nahielden, konden tegelijkertijd dwepen met dubbelzinnige figuren die zichtbaar afweken van hun eigen normen. Robb houdt het bij de beroemde detectives, maar hij had zijn observatie gemakkelijk kunnen verbinden met de eveneens eeuwig populaire figuur van de overduidelijke homoseksuele entertainer, de ongevaarlijke miep met handgebaren en aanhoudende seksuele toespelingen. Die traditie van de homo als uitzinnige held van een heteroseksuele maatschappij kun je zelfs doortrekken tot de dag van vandaag. Het fenomeen Fortuyn wordt er begrijpelijker door.

Graham Robb: Strangers. Homosexual Love in the Nineteenth Century. Picador, 342 blz. €37,45