Alle gepaste voornamen

Het afgelopen jaar was een van de slechtste in de geschiedenis van de New York Times. Jayson Blair, de Afrikaans-Amerikaanse journalist die wegens plagiaat het veld moest ruimen, sleurde de hoofdredactie (Howell Raines en Gerald Boyd) mee in zijn val. De affaire gaf aanleiding tot verhitte discussie over de merites van het beleid van positieve discriminatie bij de krant, en leidde tot het aanstellen van een kritische ombudsman.

New York Times-journalist Arthur Gelb maakt in zijn interessante memoires City Room weinig woorden aan de zaak vuil. Hoewel hij in 1990 afscheid nam van de krant waar hij bijna een halve eeuw werkte, bleef hij nauw betrokken bij het wel en wee van de Times. Hij noemt Blair `een charmante schurk', maar schrijft ook dat de intrene zuivering die volgde `grensde aan zelfkastijding'.

Gelb mengt zich nadrukkelijk niet in de huidige discussie over positieve discriminatie. Dat is vreemd, want Gelb, die als kind van joodse immigranten opgroeide in de Bronx, gaf al op jonge leeftijd blijk van een sociaal geweten. Hij nam 's ochtends regelmatig een kijkje bij het warenhuis Woolworth's, waar zwarte vrouwen zich verzamelden in de hoop door de blanken aangenomen te worden als schoonmaakster, waarna ze voor een `meelijwekkend loon' een dag werk hadden. Dertig jaar later was er niet veel veranderd, schrijft Gelb.

De rassenrellen die toen, in de zomer van 1964, in New York uitbraken kwamen misschien niet als een verrassing; Gelb schrijft te hebben geweten dat Harlem een kruitvat was. Maar de stadsredactie van de New York Times waaraan hij destijds leiding gaf was niet op de hoogte van de stemming en mentaliteit van zwart Amerika. `Tegenwoordig', schrijft Gelb, `wordt rap als literatuur onderwezen.' Destijds zag de redactie zich genoodzaakt citaten van zwarten uit Harlem te vertalen voor lezers van de Times: `We vroegen de verslaggevers uit te leggen dat `whitey' een neerbuigende frase was.'

Gelb en Rosenthal haalden de achterstand snel in; de verslaggeving van de rassenrellen vormde een keerpunt voor de krant. Met `sociologische' rapportages over homoseksualiteit en over drugsgebruik in New York toonden zij, volgens Gelb, het bewijs dat de Times een nieuwe richting was ingeslagen. Jonge verslaggevers kregen van hem en Rosenthal de opdracht hun creativiteit te laten gelden, zowel in onderwerpkeuze als in de compositie van hun artikelen. Vanaf midden jaren zestig ruimde de paper of record plaats in voor maatschappelijke trends, cultuur en sport. De stadsredactie stond destijds aan de basis van deze vernieuwing. Het is de grootste verdienste van Gelb geweest dat hij hier, samen met Rosenthal, vorm aan gaf.

Gelb verdoezelt de duistere kanten van de Times niet. Zo mochten verslaggevers met joods klinkende voornamen lange tijd alleen met hun initialen in de krant (`A.M. Rosenthal' in plaats van `Abe') om de neutraliteit van de krant te onderstrepen. Nog kwalijker, aldus Gelb met ingehouden woede, was dat joden pas als aparte groep slachtoffers van de Duitse concentratiekampen werden genoemd, toen het nieuws over de kampen van de voorpagina was verdwenen.

In 1993 bezocht Gelb het Holocaust Museum in Washington in het gezelschap van de toenmalige Times-eigenaar Puch Sulzberger. Waarom had zijn vader (Arthur Hays Sulzberger) destijds zo weinig aandacht besteed aan de vernietiging van joden in de concentratiekampen, vragen beiden zich af. Heel goed mogelijk, schrijft Gelb, dat Arthur Hays net als diens vader Adolph Ochs koste wat kost wilde voorkomen dat de Times werd gezien als `een joodse krant'. Als geassimillerde joden richtten de Sulzbergers zich op de Anglosaksische elite. Die mentaliteit is misschien nog steeds niet helemaal verdwenen. Maar dank zij de veranderingen die Gelb en Rosenthal in de jaren zestig initieerden, besteedt de Times sindsdien tevens aandacht aan minderheden.

Arthur Gelb: City Room. Putnam, 664 blz. €31,-

Gerectificeerd

Sulzberger

In de recensie van City Room, Arthur Gelbs herinnerngen aan The New York Times (Boeken, 23.01.04), stond dat de eigenaar van die krant, Adolph Ochs, de vader is van zijn opvolger Arthur Hays Sulzberger. Dat is niet juist. Ochs is de schoonvader van Sulzberger.