Prijsexplosie van pensioen bij Philips

Philips Nederland moet explosief hogere pensioenkosten van minimaal 250 miljoen euro per jaar gaan betalen voor zijn ruim 30.000 werknemers. Nu kosten de werknemerspensioenen Philips 1 miljoen euro.

De pensioenkosten zijn het belangrijkste strijdpunt in de CAO-onderhandelingen, die zich nu tien maanden voortslepen.

De vakbonden willen dat Philips bovenop een kostendekkende pensioenpemie een extra opslag betaalt om de reserves van het Philips Pensioenfonds te verhogen. Philips wil zolang de onderhandelingen lopen niet reageren.

De Philips-CAO is van oudsher een graadmeter voor de verhoudingen tussen werknemers en werkgevers. Daarin staat nu centraal: de minimalisering van de financiële risico's van de werknemerspensioenen voor de werkgever. Deze strijd speelt ook bij Akzo Nobel. Bij Vendex KBB zijn de werknemers akkoord met grotere risico's op hun pensioenbeleggingen in ruil voor een hogere werkgeverspremie, terwijl talloze bedrijven hun werknemers een groter deel van de pensioenpremies willen laten betalen.

Philips is tevens een voorbode van de vergrijzingstrend van Nederland: 30.000 actieve werknemers, maar 110.000 gepensioneerden en voormalige werknemers.

De 250 miljoen euro pensioenpremie bij Philips is voor de vakbonden ,,de bodem'', zegt onderhandelaar J. Hubert van FNV Bondgenoten. Uit het laatste jaarverslag van het Philips Pensioenfonds, over 2002, blijkt dat Philips toen 1 miljoen euro premie betaalde. Het Philips pensioenfonds verdiende eind jaren negentig met grote aandelenbeleggingen ongewoon hoge rendementen. Philips kreeg meer dan 1 miljard euro terug van zijn pensioenfonds en betaalde geen premies.

De explosie van de pensioenpremies moet de verhoging van de pensioenen (indexatie) met 1 procent per jaar veilig stellen. De vakbonden willen echter een hogere ambitie dan deze procent. Andere CAO-strijdpunten zijn toekomstige reparatie van indexatie, zeggenschap over de beleggingskeuzes van het pensioenfonds en de overgangsregeling voor duizenden werknemers die een pensioen krijgen dat is gekoppeld aan het gemiddelde loon in plaats van het laatstverdiende loon.