Normvervaging in waardevolle discussie

Dat het geen zin zou hebben om over waarden te discussiëren omdat alleen normen belangrijk zijn voor het sociaal verkeer, klopt niet. Normen en waarden zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, meent Menno Lievers.

Het komt soms voor dat de conclusie van een betoog waar is, maar dat het betoog zelf rammelt. Omdat de conclusie bevalt, krijgt het betoog geen kritiek te verduren. Dit is het geval met het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) Waarden, normen en de last van het gedrag. Met de aanbeveling dat de overheid zich terughoudend moet opstellen ,,bij de bevordering van religieuze en morele overtuigingen'', kan ieder weldenkend mens instemmen. Desondanks is er op de inhoud van het rapport veel aan te merken.

Wanneer de overheid een maatschappelijke discussie over normen en waarden wil aanzwengelen, moeten er ten minste twee vragen beantwoord worden: ten eerste, wat verstaat de overheid onder `normen en waarden'; ten tweede, hoe ziet de overheid de verhouding tussen normen en waarden enerzijds en de wet anderzijds?

De beantwoording van de eerste vraag is illustratief voor het niveau van dit rapport. Aanvankelijk wordt in het rapport de vraag wat waarden zijn ontweken maar enige pagina's verder wordt toch een definitie van waarden overgenomen: ,,waarden zijn mogelijkheden waarvan de realisering het leven tot een goed leven maakt''. Deze definitie helpt ons niet veel verder, aangezien zij circulair is. Goed is zelf een waarde; waarden zijn wat goed is, en wat is goed zijn waarden. Je zou dus verwachten dat het rapport deze definitie afwijst. In plaats daarvan laat de auteur van deze paragraaf alle academische distantie varen en schrijft: ,,Een prachtige definitie [...]!''

Behalve argumentatief zwak, laat het rapport ook inhoudelijk veel te wensen over. Het is bijvoorbeeld jammer dat de raad niet de moeite heeft genomen om een beknopte inventarisatie op te nemen van meerdere verschillende ethische theorieën over waarden. Daaruit zou namelijk duidelijk zijn geworden hoezeer politiek en ethiek met elkaar verweven zijn.

Zo ligt de opvatting dat waardeoordelen subjectief zijn ten grondslag aan het traditionele liberalisme. Iedere mens is vrij te denken wat hij wil. De sociaal-democratie is nauw verwant met het utilisme, de gedachte dat het goede datgene is wat het beste is voor het grootste aantal mensen. Christelijke en islamitische politici zijn ervan overtuigd dat God bepaalt welke waardeoordelen waar zijn. Zij moeten dus verdedigen dat waarden en normen objectief zijn. Er is immers maar één God...

Het is duidelijk dat een keuze voor een bepaalde opvatting over waarden en normen samenhangt met politieke voorkeuren. Nu zou men kunnen tegenwerpen dat ethische theorieën vooral over de definiering van waarden gaan, terwijl het debat over normen zou moeten gaan. In het rapport staat dat ,,waarden in logische zin een hogere abstractiegraad hebben'' en even verder: ,,Waarden hebben een open horizon, normen juist een gesloten ruimte waarbinnen men moet blijven. Waarden zijn onbegrensd, normen trekken per definitie een grens.''

Nog verder gaan Kribbe en Van Middelaar in het artikel dat ze schreven voor Opinie & Debat (NRC Handelsblad van 3 jan.). Zij beweren zelfs dat normen niet berusten op waarden en dat voor een normengemeenschap geen waardengemeenschap nodig is. Een paar voorbeelden laten onmiddellijk zien dat dit absurd is. Je mag een ander niet doden (norm), omdat een mensenleven intrinsiek waardevol is (waardeoordeel). Een rechter mag geen hoofddoekje dragen (norm), omdat het goed is dat voor de wet iedereen gelijk is (waardeoordeel). De rechtvaardiging van normen bestaat uit waardeoordelen; normen en waarden zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Op een fundamenteel punt is er overeenkomst tussen het artikel van Kribbe en Van Middelaar en het rapport van de WRR, dat zij zeggen te bekritiseren. Vrijwel iedere keer wanneer beide groepen van auteurs het hebben over normoverschrijdend gedrag, verwijzen zij vooral naar criminaliteit of wetsovertredingen. Dit is vreemd, want er is toch wel een verschil tussen een leraar uitschelden of hem door het hoofd schieten.

De verklaring voor deze overeenkomst is dat beiden hetzelfde antwoord geven op de tweede vraag: hoe ziet de overheid de verhouding tussen normen en waarden enerzijds en de wet anderzijds? Beiden denken dat de wet vastgelegde moraal is. Kribbe en Van Middelaar schrijven bijvoorbeeld: ,,Maar het normenenwaarden-debat gaat niet in de eerste plaats over de inhoud. Het draait om de naleving van regels. [...] Voor de handhaving van sommige spelregels is een scheidsrechter vereist, de staat. Dit type regels wordt gecodificeerd in het recht, [...]''. In het rapport stelt men eveneens dat noodzakelijke waarden worden gemaakt door de leden van de samenleving en in een democratische rechtsstaat worden neergeslagen in wetten.

Maar deze schijnbaar soepele overgang van normen en waarden naar wetten is helemaal niet vanzelfsprekend. Lang niet alle wetten, zelfs niet alle grondwetten, hebben een ethisch fundament. Bovendien zijn er wetten waarvan de naleving indruist tegen ons moreel rechtvaardigheidsbesef, hetgeen veel mensen ervoeren tijdens de uitzetting van de familie Gümus. Wij vinden het ook verwerpelijk dat in Iran vrouwen wettelijk verplicht zijn een hoofddoek te dragen, maar vanuit welk perspectief vellen wij dat oordeel? Dat kan alleen vanuit een morele positie buiten dat rechtssysteem.

Maar het belangrijkste bezwaar is dat er geen bevoorrechte verzameling normen en waarden bestaat die als fundament voor een rechtssysteem kan dienen. Een christelijk politicus, net zoals sommige van zijn islamitische collega's in de Arabische wereld, legt dit bezwaar natuurlijk naast zich neer. Voor hem bestaat er één ware verzameling waardeoordelen die God in zijn bijbel aan ons heeft gegeven en in ons hart geplant. Wie dit natuurrecht ontkent, schiet ethisch tekort en deugt als mens niet. De staat is een instelling van God, die tot taak heeft de kerk te beschermen en het op Gods bijbel gebaseerde recht te handhaven. Vanuit dit christelijk-politieke standpunt bezien dient de oproep tot een normen-en-waarden-debat vooral tot loutering. We moeten tot inkeer komen en de christelijke waarden weer `bevinden'.

Dat het rapport niet blootlegt wat er achter de oproep tot het debat schuilgaat, is een tekortkoming. Erger is dat de WRR aanbevelingen doet die bij nauwkeurige lezing toch niet zo onschuldig zijn. Zo beveelt de Raad weliswaar aan dat de overheid zich terughoudend moet opstellen ,,bij de bevordering van religieuze en morele overtuigingen'', maar tegelijkertijd moet zij zich actief bemoeien met de publieke moraal. Maar waar begint publieke moraal en houdt privé-moraal op? Kledingkeuze lijkt een privé-aangelegenheid, maar als het zo doorgaat komt een vluchtelinge uit een land waar ze een hoofddoekje moet dragen, terecht in een land waar ze dat niet meer mag dragen. De omkering van een absurde maatregel blijft een absurde maatregel.

Zoals gezegd, het belangrijkste argument voor de stelling dat er normvervaging is, is de toenemende criminaliteit. Als dat klopt, zou de overheid ook eens de hand in eigen boezem kunnen steken. Zouden er nog steeds zulke integratieproblemen zijn, als er nog een vorm van dienstplicht zou bestaan? Is er een verband tussen de bezuinigingen op onderwijs en de toename van jeugdcriminaliteit? Is het opheffen van de gemeentepolitie en de instelling van regionale politiekorpsen wel zo'n succes? Draagt de privatisering van overheidsbedrijven, zoals de NS, niet bij aan de teloorgang van de gemeenschapszin? Dergelijke vragen komen in dit rapport niet aan de orde. Zodoende wordt een andere waarde te grabbel gegooid, die van de intellectuele integriteit. Schuyt en de zijnen vellen een oordeel over een terrein waar ze slechts marginaal iets van weten. Ook dat is normvervaging.

Menno Lievers is filosoof.