Knipoog

Het Nederlandse staatsbezoek aan Thailand heeft een concreet resultaat opgeleverd: gratie voor twee tot langdurige straf veroordeelde landgenoten plus de omzetting van twee uitgsproken doodstraffen in levenslang. Dit gebaar is zonder meer welkom. Maar echte betekenis krijgt het pas door de mededeling van minister Bot (Buitenlandse Zaken) dat hij met zijn Thaise ambtgenoot overeensteming heeft bereikt over een overnameverdrag. Dit moet beide landen in staat stellen de tenuitvoerlegging van elkaars straffen over te nemen als het om eigen onderdanen gaat. Het wordt een verdrag met ,,een knipoog'', heeft Bot laten weten. Dat moet ook wel, want er gaapt een kloof tussen de Nederlandse strafrechtspleging en die van Thailand. Het gaat er daar zo hard aan toe dat wederkerigheid, die de basis vormt van de overname van strafvonnissen, eigenlijk niet mogelijk is. Zonder vertrouwen in het betrokken rechtssysteem kan geen buitenlands vonnis worden overgenomen, verklaarde de regering twintig jaar geleden, toen de Nederlandse wetgeving op dit punt tot stand kwam. Dit vereiste kreeg toen voorrang boven overwegingen van humaniteit ten opzichte van landgenoten die in den vreemde in barre omstandigheden gedetineerd zijn.

,,De Nederlandse overheid is niet gerechtigd de ogen te sluiten voor de kwaliteit van rechtspraak of strafrechtstoepassing in het buitenland'', stelt de officiële toelichting op de overnamewet. Zelfs als de betrokken landgenoten zelf vragen om een deal waar een luchtje aan zit, kan de staat zich niet verschuilen achter hun toestemming. De regering gaf wel toe dat dit een lastig dilemma is: hoe sterker humanitaire overwegingen voor een overname pleiten, des te klemmender kunnen rechtsstatelijke bedenkingen daartegen worden. Toch moesten de principiële overwegingen prevaleren. Inmiddels is wel wat water bij de wijn gedaan. Jarenlang was de strikte leer een beletsel voor een bilateraal overnameverdrag met Marokko, ook zo'n land met veel Nederlanders in erbarmelijke cellen. Maar een verdrag met Marokko is er toch van gekomen. Daarbij werd wel gewaarschuwd ,,dat ook een verdragsrelatie niet in alle omstandigheden uitzicht biedt op overbrenging naar Nederland''. Zo kan bij drugssmokkel een grote fiscale boete die naast de detentie is opgelegd, een praktisch beletsel vormen. Het grootste knelpunt blijft de mate waarin de andere staat vasthoudt aan de straffen die hij oplegt. Als Nederland daar naar het gevoelen van de buitenlandse autoriteiten te veel aan tornt, kan dat hun praktische medewerking flink dempen.

De nieuwe uitwisselingsrelatie met Thailand kan nog een hele uitdaging gaan vormen voor de Nederlandse rechter. Deze moet er in principe aan te pas komen om een buitenlandse straf om te zetten in een Nederlands equivalent. Een verdrag neemt het oude dilemma niet weg. Zoveel mogelijk aansluiten bij de oorspronkelijke straf is in het geval van de harde Aziatische lijn praktisch uitgesloten. Dezelfde straf opleggen die de betrokkene in Nederland voor de bewezen verklaarde feiten zou hebben gekregen, kan evenmin. De rechter zal er rekening mee moeten houden dat in andere landen andere normen en regels gelden. De Nederlander die zich in het buitenland schuldig maakt aan een delict, neemt het risico van een zwaardere straf op de koop toe, zo waarschuwde de regering eerder.

Dit dilemma valt niet op te lossen ,,langs strikt rekenkundige lijnen'', werd vorig jaar opgemerkt in het tijdschrift voor de rechterlijke macht. Overname van buitenlandse strafvonnissen is een kwestie van schipperen, ook al doet in de huidige politieke cultuur vooral de roep om duidelijke normen en waarden opgeld. Een diplomatieke knipoog is zo slecht nog niet.