Franse werknemer verliest zijn stakingslust

De straat op voor je rechten. Franser kan het niet. Maar recente oproepen om te staken tegen nieuwe regeringsplannen kregen nauwelijks gehoor. Wordt Frankrijk `anti-staking'?

Toen afgelopen zaterdag Franse moslims de straat opgingen om op te komen voor het recht de hoofddoek te dragen op openbare scholen, trok een enkeling de verrassende conclusie dat de integratie toch maar mooi gelukt was. De straat opgaan voor je rechten: Franser kan het niet. In een land waar, ondanks verwoede pogingen tot decentralisatie en regionalisering, alles door het centrale gezag geregeld wordt en zelfs vaak door één persoon, de koning-president, besloten - in zo'n land is `de straat' een onderhandelingsmiddel en een `argument' als alle andere.

Staken en demonstreren, het hoeft niet per se samen te gaan om toch op hetzelfde neer te komen. Gisteren was het weer zover, en eergisteren ook, net als trouwens vandaag. Eerst de Electricité de France, toen de spoorwegen (SNCF), nu de ziekenhuizen. Zoals er op Groenland allerlei nuancerende woorden voor sneeuw bestaan, zo beschikt Frankrijk over precisie-terminologie voor de staking. Die van de SNCF van gisteren was van het `droge' type: in beginsel eenmalig en onderdeel van een speciaal ontwikkelde afschrikkingsdoctrine.

Dank zij overvloedig vergelijkingsmateriaal laat ook het succes zich nauwkeurig meten. Dat was, met een deelname van tussen de 25 en 30 procent van de werknemers, maar matig en moet zelfs eerder als een totale mislukking omschreven worden vergeleken bij de platlegging van 1995.

Dat gisteren het effect relatief groot was, met veel stremmingen en afgelastingen, werd veroorzaakt door de grote en traditionele stakingsbereid onder machinisten. Die zijn als altijd bezorgd over hun premies, zo wordt de argeloze burger te verstaan gegeven. Waar de staking voor het overige nog over gaat, blijft vaak onduidelijk. Iets met salaris, iets met werktijden, iets met pensioenen, iets, inderdaad, met premies en inconveniëntietoeslagen. Soms staakt alleen één lokaal postkantoor, tot behoud van de baan van één bepaalde lokettist.

Bij de SNCF was deze keer meer aan de hand en speelden principes een rol. Die raakten aan het stakingsrecht zelf. Tegenover de verfijnde doctrines van de vakbonden stelde president Jacques Chirac onlangs die van de `minimale dienstverlening'. Die houdt in dat naast het stakingsrecht ook nog zoiets bestaat als `continuïteit van de openbare diensten', zoals minister Gilles de Robien het, minder beladen, verkoos te formuleren. De minister voegde eraan toe dat het om niet minder dan een `constitutioneel principe' ging: zoals de ambtenaar een stakingsrecht heeft, bezit de burger een grondrecht op dienstverlening.

De voorzitter van de werkgeversorganisatie, Ernest-Antoine Seillière, baron, maar in strijd met zijn hoge afkomst een echte straatvechter, gooide olie op het vuur door te stellen dat Frankrijk `het misbruik van het stakingsrecht' nauwelijks meer verdraagt en dat er `desnoods' maar een wet moet komen. Waarop een vakbondsbons prompt liet weten desnoods aan te zullen sturen op `een groot conflict', in meerdere sectoren. Dat het een beetje klonk als een conflict om het conflict, deed aan het dreigement niets af.

Vooralsnog huizen in de borst van de Franse burger twee zielen: van nature solidair met de oproerkraaier, heeft het individu tegelijk de buik vol van overlast. De lauwheid van de staking gisteren en de geërgerde reactie van veel reiziggers zijn voor het ochtendblad `Libération' zelfs aanleiding om aan een terzake kundige historicus de vraag voor te leggen of `Frankrijk bezig is `anti-staking' te worden'. Volgens de deskundige tekent die tendens zich inderdaad af, al is het zijns inziens vooralsnog comme ci, comme ça.

Toch lijken ook de vakbonden en sociale partners aangeraakt te zijn door de tijdgeest. Vooralsnog althans voeren ze besprekingen met minister van Sociale Zaken François Fillon over onder meer diens plannen met het `projectcontract'. De minister wil de arbeidsmarkt voor zowel bedrijven en overheid flexibeler maken door invoering van contracten voor bepaalde tijd. In een land waar de burger geneigd is te denken dat de staat alles kan en ook alles moet, zijn dergelijke plannen in principe vloeken in de kerk. Wonderlijk genoeg is het alarm uiteraard wel geslagen, maar is de beoogde paniek nog niet uitgebroken. De minister zegt dat zijn plan juist werkgelegenheid schept in plaats van afbreekt. Op zichzelf niet opzienbarend – opzien baart dat hij het zomaar zeggen kan.