Er is geen reden bang te zijn voor moderne jeugd

De onderwijspolitiek van de laatste vijftien jaar heeft als uitgangspunt ,,voor minder geld, meer kwaliteit''. Leerlingen, vooral die in het vmbo, zijn de dupe. Er zijn te veel managers en te weinig leraren, vindt Ton van Haperen.

,,Ben jij ook bang?'' is een vraag die vaak gesteld wordt aan leraren, sinds de moord op een collega. Het antwoord is ontkennend. Kanker met uitzaaiingen, een auto-ongeluk, dat zijn reële gevaren. De kans vermoord te worden door een leerling is klein. In ieder geval vele malen kleiner dan de kans de staatsloterij te winnen.

De media-aandacht van de afgelopen week leert dat deze relativerende benadering uit den boze is. Gezagsdragers en deskundigen poneren voortdurend dezelfde stelling: er is veel geweld op scholen en dat heeft te maken met allochtone kinderen op lagere schooltypes in grote steden. Vooral het programma NOVA doet avond na avond zijn best om the smoking gun te leveren.

Geweld op scholen bestaat. Surveilleren op het schoolplein betekent ingrijpen bij vechtpartijen. Dat is niet altijd zonder risico, maar wel van alle tijden. Net als leerlingen die het recht in eigen hand nemen. Het eerste jaar dat ik lesgaf, zestien jaar geleden, werd op een lts, een paar kilometer van mijn school vandaan, een leraar neergestoken. Ook nu liggen de voorbeelden in mijn eigen omgeving voor het oprapen. ADHD'er komt te laat bij een praktijkles, hij heeft net zijn kop kaal laten scheren, leraar maakt het nieuwe uiterlijk belachelijk, klas lacht, leraar draait zich om, leerling slaat hem met een stuk ijzer neer. Mijn zoon is tijdens een les door een medeleerling over drie banken heen geslagen, zes hechtingen. Allemaal voorbeelden van geweld op witte scholen in de provincie. Erfurt en Colombines High leren eveneens dat niet alleen allochtonen gewelddadig zijn. In beide gevallen zijn de daders witte middenklassekinderen. Ook in die kringen hebben ouders vaak geen tijd voor serieus contact met hun kinderen.

De grote stad dan, daar is alles erger. Zou kunnen, maar globalisering zorgt ervoor dat jeugd steeds meer op elkaar gaat lijken. Vroeger was de stad de voorloper, het platteland volgde traag, in een afgezwakte variant. Maar vandaag de dag is communicatie over de hele wereld heftiger, daardoor werkt het anders. Jongeren zien veel van elkaar, in een hoog tempo en passen zich sneller aan. Neem het drugsgebruik. Dat is gepopulariseerd. Vroeger rookten sommige leerlingen in de bovenbouw havo/vwo in de grote steden af en toe hasj. Nu is het gebruik van wiet in twee vmbo normaal. Cocaïne snuiven in Urk en de enorme xtc-productie in De Kempen leren dat drugs overal zijn.

Dergelijke ontwikkelingen krijgt het onderwijs voor zijn kiezen. De maatschappij verandert, verhardt, heet het dan al snel. Feit is dat jongens al eeuwen fantaseren over geweld, dromen van dominantie en macht. Zo lang ze als persoon op school herkend en erkend worden, in een duidelijke omgeving, maakt binding deze fascinatie hanteerbeer. De ervaring van alledag leert dat dit bindingsproces slecht functioneert. Dat is verklaarbaar en er is ook iets aan te doen.

Onderwijspolitiek van de laatste vijftien jaar heeft als uitgangspunt ,,voor minder geld, meer kwaliteit''. Hierdoor zijn elementaire vuistregels uit het oog verloren. Een daarvan is: hoe lager het schooltype, hoe kleiner de school. Als leren moeizaam gaat, functioneren kinderen alleen als het affectief goed zit. Kleine groepen creëren overzicht. Gezien worden en contact met de docent zijn een noodzakelijke voorwaarde voor leren. De activiteit moet dan wel zinvol zijn. Les na les een ander vak, met theorie- en werkboek, dat gaat niet. Algemene vorming moet, maar terugbrengen van de inhoud tot wat essentieel is en een meer praktische invulling die aansluit bij wat kinderen wel kunnen, zijn broodnodig.

Niet te volgen lessen, elk uur een andere leraar in een grote school leveren een gevoel van vervreemding op en werken onrust in de hand. Dat speelt niet alleen op het vmbo. Gebrek aan samenhang en een onduidelijke leeromgeving breken overal op. Zowel op vmbo als op havo/vwo zijn kinderen gefrustreerd. Verschil is wel dat de eerste groep geen kant uit kan. Dit gevoel van onmacht heeft uiteraard invloed op gedrag.

Schaalvergroting, versplintering van de inhoud en geestdodend lesmateriaal zijn resultaat van beleid. De minister roept nu stoer dat het management niet deugt, omdat het tekortschiet in optreden tegen geweld op school. Zonder meer waar, maar het is wel de politiek die dit management in al die lagen heeft gewild. Voor een professioneel bestuurder die ver van de werkvloer zit, steeds vaker zonder onderwijsachtergrond, is het ondoenlijk om bij een conflict tussen leerling en leraar te oordelen.

Even voor de duidelijkheid: het is van waarde dat kinderen zich ontwikkelen naar hun mogelijkheden. Goed onderwijs, met aandacht voor het leerproces en excellente leraren, zou dan de norm zijn in een rijk land. Maar bij een relatief klein budget meer besteden aan management onttrekt juist geld aan dat leerproces. De werkdruk van de leraar neemt hierdoor toe, zijn status daalt. Met als gevolg dat op een scholengemeenschap in Doorn kinderen lesgeven. Wat maakt het ook uit!? Werken met een klas staat onderaan de ladder. Toch verwacht men wel dat leerlingen hun aanwezigheid als zinvol ervaren en hun fatsoen houden.

De moord van vorige week koppelen aan beleidsfalen is onbehoorlijk. Zo simpel zit de wereld niet in elkaar. De dader zat in een tunnel van waanzin en alleen al de suggestie dat dit te voorkomen was, getuigt van weinig respect voor hard werkende mensen op een moeilijke school. Maar dat neemt niet weg dat de manier waarop de media deze ramp verslaan, het gekakel van deskundigen en de duiding van politici, onderwijzend Nederland volledig in de war hebben gebracht.

Neem afgelopen donderdag, ergens in Brabant. Een vmbo'er van vijftien heeft gym, volleyballen. Dat is veel staan en wachten, dus gesodemieter. Hij krijgt een douw, geeft er een terug. De leraar ziet alleen de reactie, stuurt hem eruit. Hij is woedend, probeert het uit te leggen, krijgt geen ruimte en roept onmachtig: ,,Ik schiet je kapot.'' Niet zo slim, maar het hangt wel in de lucht. Het mannetje is ongevaarlijk, doet geen vlieg kwaad en krijgt transport naar de rector, die zit op een andere locatie. Politie erbij, twee weken geschorst en een aantal gesprekken met hulpverlening. Deze reactie is zwanger van angst voor jeugd. Zullen we onderhand weer normaal gaan doen?

Ton van Haperen is leraar, lerarenopleider en publicist.